Het Europa dat beloofd is, bestaat al vijf jaar

Er zijn drie redenen om geen hoge verwachtingen te wekken van de intergouvernementele conferentie in 1996, de conferentie waarop aan Maastricht een vervolg zal worden gegeven. De eerste is dat nieuwe juridische structuren weinig invloed hebben, en in ieder geval zelden de bedoelde, op een taaie en grillige werkelijkheid als deze. Het is een teken van onmacht om voortdurend met de spelregels in de weer te zijn inplaats van met het spel. Ten tweede: de driftigheid van de meeste betrokkenen is schijn. Zij weten dat er op korte termijn geen grote stappen zullen worden gezet, eerder een aantal kleine. En die stappen komen niet ineens, maar pas in de loop van de komende jaren. De derde en belangrijkste reden is dat de feitelijke inrichting van het Europa van de volgende eeuw in de afgelopen vijf jaar grotendeels haar beslag al heeft gekregen. Dit is niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats gebeurd als resultaat van het verdrag van Maastricht maar als resultaat van de feiten in het algemeen. Op het ogenblik gaat het erom te begrijpen wat er gebeurd is en nog gebeurt, inplaats van bijdragen te leveren aan de lawine van papieren vondsten die het elk niet verder brengen dan een dag of een week bovenop de stapel te mogen liggen.

Wat betreft het eerste punt: het is altijd weer opmerkelijk hoe structurele discussies en de productie van rapporten kunnen dienen als schaamlap voor de afwezigheid van feitelijk handelen en dus als blijk van feitelijke onmacht. De meeste bladzijden over 1996 komen uit Duitsland en Nederland en uit de Europese instellingen, vooral het Parlement. Maar waar zijn die instanties als het erop aankomt? Duitsland weet nog steeds niet of het een soeverein land moet en durft te spelen, of niet. En dan roepen om meerderheidsbeslissingen bij het buitenlands beleid. Nederland wil aanschurken bij de Frans-Duitse as, laat zich dan de mantel uitvegen door een kersverse Franse president en geeft hem vervolgens nog zijn zin ook (drugsbeleid). Dit is misschien wel logisch maar niet politiek gedacht. Het Europees Parlement tenslotte leeft zich uit in symboliek, maar maakt daarmee sur place zodra aan die symboliek ook maar de minste consequentie dreigt te kleven, zoals het weigeren van een Commissievoorzitter. Men schijnt te denken dat alleen woorden de wereld inrichten, niet daden.

Wat betreft het tweede punt: aan de wil van de betrokkenen ontbreekt voorlopig de duidelijkheid en bestendigheid (om maar niet te zeggen: de inhoud), nodig voor het zetten van een gezamenlijke stap op een afgesproken moment. De situatie is eerder zo dat, voorzover er iets te gebeuren staat, men wacht op de tekens. Gaat er iets lukken in Joegoslavië? Komt de munt er? Wat gebeurt er bij de Britse verkiezingen? Dit is opzichzelf niet erg, integendeel, het is menselijk en verstandig om in moeilijke zaken de feiten te laten spreken. Maar het verklaart de huidige toestand van aarzeling, en afwachting. Die kan jaren duren, want de feiten komen niet op bestelling: 1996 wordt 1997 en 1998 en 1999. Onverstandig is daarom zo te klagen over de bestaande inrichting van de Unie. Want daarop is van alles aan te merken maar ze draagt tenminste de geest van het 'annus mirabilis' 1989.

Dit brengt ons bij het derde punt. De structuur van het komende Europa is in grote lijnen gevestigd. Wat de aanpassingen in de komende jaren zullen zijn is niet te voorspellen, maar uiteindelijk zullen alle regels zich naar de grote lijnen voegen. De belangrijkste elementen zijn geen regels, maar feiten. Het zijn: de val van de Muur, de oorlog in Joegoslavië, en tenslotte één verdragswijziging van Maastricht: de monetaire unie. Ook die heeft merkwaardig genoeg vooral een feitelijk karakter, inzoverre dat niemand nu kan zeggen wat die munt allemaal ten goede of ten kwade in petto heeft.

Het is nu tijd om op te houden met het wekken van de illusie dat het mooie Europa aan de einder gloort. Beter is het de mensen te laten weten dat Europa er al is; dat het een zaak is met veel bezwaren, bedoeld om nog grotere bezwaren en gevaren te ondervangen. Daarop is het ingericht.

De val van de Muur is het eerste structurele element. Die gebeurtenis heeft de situatie hersteld waarop de Europese integratie vanouds het antwoord was. Vroeger noemden we die “het Duitse probleem”. Dat mag je nu niet meer zeggen, want je kunt er niet meer op rekenen dat men begrijpt dat het over Duitsland gaat en niet (dat is heel iets anders) over de Duitsers. Toch zou het goed zijn als iemand bij ons eens vierkant zei: de EG of Unie is er niet voor de lol en ook niet om de welvaart, maar om oorlog tussen lidstaten te voorkomen. Dan weten de mensen tenminste dat Europa geen droomwereld is en dat we voor de goede zaak het een en ander goedschiks moeten slikken, met name van Duitsland, liever dan kwaadschiks. Te denken is aan Duitse liefhebberijen als Schengen en Europol. Hetzelfde geldt voor een verdergaande bureaucratisering van ons openbare bestuur, onder Franse leiding. Die ont-democratisering is geen voorbijgaande zaak maar een blijvend euvel. Inwendig, in binnenlandse zaken en politie (de 'derde pijler') van de Unie, is de Duits-Franse as de baas. Dit is al volledig verdisconteerd in de huidige verdragsbepalingen.

Ook in de buitenlandse aangelegenheden van de Unie is de zaak vastgeschroefd en wel door de oorlog in Joegoslavië, het tweede structurele element. Hier maken kennelijk Engeland en Frankrijk de dienst uit. Dit wil zeggen; deze twee landen dragen de onwil en het onvermogen van de Unie uit structureel onvermogen. De oorlog in Joegoslavië heeft zichtbaar gemaakt en vastgelegd wat men al kon weten, namelijk dat de winst van de Unie op dit punt in een reductie van de handelingsvrijheid van elk van de leden. Dit is gebeurd niet ten bate van een groter gezamenlijk handelingsvermogen, zoals men uitdraagt, maar uitsluitend in het belang van de stabiliteit binnen de Unie. Geen Eerste Wereldoorlog meer. Meerderheidsbesluiten op dit punt? Als de Engelsen het niet willen gebeurt het niet en ze hebben het recht van spreken op dit punt verdiend.

Tenslotte de muntunie, het derde structuurelement. Dit is een explosieve ambitie. Er zijn deskundigen die stellen dat de munt voor de Unie een grotere bedreiging vormt dan Joegoslavië. Men kan zich inderdaad allerlei conflicten voorstellen tussen deelnemende landen enerzijds en binnen uitgesloten landen anderszijds. Wat hier past is een aantal aanvullende voorwaarden, op last van Duitsland, in ruil voor enige souplesse en overgangstermijnen. De belofte moet blijven, ook voor de second circle (Italië, Spanje), maar de discipline evengoed. Ook dit alles is mogelijk binnen de huidige inrichting van de Unie.

Dat er aan de huidige structuur niet veel meer zal veranderen is ten overvloede verzekerd door de onderwerping van veranderingen aan steeds meer referenda. Maar in het algemeen geldt: er is zoveel ervaring verwerkt in de huidige inrichting en er is zoveel onzekerheid in aantocht, dat het niet zinnig is de zaak telkens weer grondig te willen herzien of zelfs de illusie van verbetering levend te houden. Het ijzer is gesmeed toen het heet was. Structuren zijn er niet om de werkelijkheid te verhullen, maar om haar te laten spreken.