Geheim agente in de kou

DOMINIQUE PRIEUR, avec la coll. de JEAN-MARIE PONTAUT: Agent secrète

249 blz., Fayard 1995, ƒ 44,20

Wie herinnert zich niet de opwinding rondom de arrestatie in Nieuw-Zeeland van het pseudo-echtpaar Turenge, in werkelijkheid agenten van de Franse geheime dienst, die betrokken waren bij de aanslag op 10 juli 1985 op de Rainbow Warrior, het schip van Greenpeace dat de speerpunt moest vormen in het verzet tegen de Franse kernproeven in de Stille Zuidzee? De zaak veroorzaakte destijds een diplomatieke crisis tussen Frankrijk en Nieuw-Zeeland, en in Parijs zelf een affaire d'état, die culmineerde in het ontslag van de hoogst verantwoordelijke autoriteiten, de minister van defensie en het hoofd van de DGSE, de Franse geheime dienst.

Het 'echtpaar Turenge' - dat als toeristen vermomd een bezoek aan Nieuw-Zeeland zou brengen - bestond in realiteit uit de geheim agent Alain Mafart en Dominique Prieur, de eerste vrouwelijke officier van de afdeling Action van de DGSE. Samen met twee andere teams hadden de Turenge's opdracht het vlaggeschip van Greenpeace in de haven van Auckland onklaar te maken. De aanslag zou het leven kosten aan een militant van de ecologische organisatie, een Nederlandse fotograaf van Portugese afkomst.

Dominique Prieur heeft vorige maand een boek over haar ervaringen doen verschijnen, dat om twee redenen opvallend mag worden genoemd. Ten eerste valt haar relaas buiten het genre van memoires, waarin zelfrechtvaardiging de boventoon voert. Haar versie van het gebeurde is bescheiden van toon en klinkt redelijk overtuigend. Aan dat laatste is zeker het feit debet dat zij de medewerking heeft gezocht van een journalist die in 1985 met enkele collega's de betrokkenheid van het politieke gezag in Parijs bij de aanslag heeft kunnen aantonen.

Verder is Agent secrète interessant wegens de impliciete kritiek die het bevat op de hiërarchie van de DGSE en op de toenmalige regering die de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de aanslag op de Rainbow Warrior droeg. Tussen de regels door valt te lezen dat Dominique Prieur zich tijdens haar gevangenschap in Nieuw-Zeeland door haar superieuren van de geheime dienst en door de regering in de steek gelaten voelde.

Volgens Prieur hebben haar teamgenoot Mafart en zijzelf zich van het begin af aan ongelukkig over de hun opgedragen missie gevoeld. Wij waren verbaasd over het gewelddadige karakter van de missie, die een a priori niet gevaarlijke organisatie tot doelwit had. Zij beschrijft hoe op de briefing die aan het vertrek naar Nieuw-Zeeland voorafging, bevel werd gegeven om twee bommen op de Rainbow Warrior tot ontploffing te brengen. De eerste bom was bedoeld om alarm te geven, en de evacuatie van de bemanning te bewerkstelligen. Een tweede, grotere bom moest het schip tot zinken brengen. Mafart en Prieur vonden deze order overbodig en te gevaarlijk. “Door twee ladingen achter elkaar tot ontploffing te brengen, worden de risico's dat er slachtoffers vallen, verveelvoudigd”, aldus Dominique Prieur.

Geklungel

Het tweetal zou achteraf gelijk krijgen, maar ten tijde van de voorbereiding hield het zijn bezwaren voor zich. “Je kunt in de geheime dienst een missie niet weigeren, schrijft Prieur. Dan moet je van beroep veranderen. Het is niet aan mij om het nut van missies in twijfel te trekken, het is de taak van de burgerlijke en militaire hiërarchieën om die te definiëren.”

Na hun arrestatie in Nieuw-Zeeland werden de Turenge's door de Franse media aanvankelijk van amateurisme en geklungel beschuldigd. Prieur ontkent de gefundeerdheid van deze kritiek. Zij schijnt als geheim agente al jaren ervaring - met name in het Midden-Oosten - te hebben opgedaan, voordat zij naar Nieuw-Zeeland werd gestuurd. Mafart en zij liepen tegen de lamp door een opeenvolging van tegenslagen, waarvan de dood van de fotograaf die tussen de twee explosies zijn materiaal van boord wilde halen en daarbij omkwam, de culminatie vormde.

Dominique Prieur geeft toe dat zij haar houding tegenover de pers grondig heeft gewijzigd. Aanvankelijk deelde zij het wantrouwen dat in militaire kring traditioneel tegenover de media bestaat. Maar later zegt zij tot het inzicht te zijn gekomen dat zonder de pers de betrokkenheid van de hoogste politieke en militaire kringen in de Greenpeace-affaire nooit aan het licht zou zijn gekomen.

Prieur schrijft in bedekte termen kritisch over de geringe ruggesteun die zij en Mafart na hun arrestatie van 'la Maison' - interne benaming voor de DGSE - hebben ondervonden. De Greenpeace-episode heeft Prieur in totaal drie jaar gekost, een jaar in Nieuwzeelandse gevangenissen en twee jaar op Hao, een Franse atol in de Pacific.

Agence secrète is niet alleen een nuttige bron voor wie in de affaire Rainbow Warrior is geïnteresseerd, maar geeft ook inzicht in de problemen die Dominique Prieur in de jaren zeventig heeft ondervonden bij haar streven om tot de hogere militaire hiërarchie door te dringen. Botsingen met de 'Latijnse macho'-cultuur in het Franse leger waren aan de orde van de dag. Uiteindelijk zou Prieur de eerste geheim agente van Frankrijk worden. Zij geeft aardige bijzonderheden over de vorming van geheim agenten in Frankrijk. “Het is een vak van schooiers, uitgevoerd door seigneurs”, heeft een voormalig hoofd van de DGSE eens opgemerkt.

Curieus is dat Prieur na haar terugkeer in Frankrijk taal noch teken van de geheime dienst heeft vernomen. Zij is in 1988 naar het leger overgeplaatst en heeft nu de rang van majoor. Zij erkent in haar boek dat de Greenpeace-affaire haar destijds niet in de koude kleren is gaan zitten. Vooral het besluit van de Franse overheid om haar ware naam vrij te geven toen zij in een Nieuwzeelandse gevangenis verbleef, is traumatisch voor haar geweest. Prieur citeert in dit verband John Le Carré, die heeft geschreven dat onthulling van de eigenlijke naam van een geheim agent gelijk staat aan de psychologische verkrachting van de betrokkene.