Eigen weg in Frankrijk

FRANKRIJK HEEFT vermoedelijk de laatste kans aangegrepen om een eigen weg te gaan in zijn sociaal-economische beleid. Het banenplan en de aanvullende begroting die premier Alain Juppé deze week bekendmaakte, passen eigenlijk niet meer in de aanloopfase naar de Economische en Monetaire Unie (EMU) en helemaal niet in de situatie van een gemeenschappelijke munt die waarschijnlijk in 1999 vaste vorm zal krijgen. Nergens in Europa botsen de eisen vastgelegd in het Verdrag van Maastricht en de politieke urgentie om de werkloosheid terug te dringen, zo zichtbaar met elkaar als in Frankrijk.

Het dilemma waarin Frankrijk verkeert is helder. Het land kampt met een groot financieringstekort en als minister van financiën Madelin dit tekort niet snel vermindert, loopt Frankrijk het risico in 1999 niet te voldoen aan de toegangsnorm voor de gemeenschappelijke munt, een begrotingstekort van maximaal drie procent. En zonder de deelname naast Duitsland van een grote economie zoals Frankrijk beperkt de Europese Monetaire Unie zich tot een uitgebreid D-markblok.

Anderzijds kampt Frankrijk met een van de hoogste werkloosheidspercentages van alle industrielanden. Dat kan leiden tot een explosieve politieke en sociale situatie. De regering kreeg van president Chirac dan ook de opdracht om 700.000 nieuwe banen in twee jaar te scheppen. Maar een banenplan vraagt om extra geld of om een goedkopere munt. Binnen de parameters van het stabiele franc-beleid en de begrotingsnorm van 'Maastricht' komt stimulering van de economie ten behoeve van banengroei neer op de kwadratuur van de cirkel.

JUPPÉ HEEFT getracht het onmogelijke met elkaar te verzoenen. De belastingen - op consumptie, ondernemen en vermogen - gaan omhoog en met gerichte lastenverlichting wordt de laagstbetaalde arbeid goedkoper gemaakt. Daarmee dreigt Frankrijk zich in de val van het ook in Nederland bekende probleem van de 'marginale wig' te storten, terwijl de tevens aangekondigde verhoging van het minimumloon tot verdere verstarring van de arbeidsmarkt leidt.

Tegenover de extra uitgaven voor werkgelegenheid staan omvangrijke bezuinigingen. Want het blijft een Frans doel om in 1999 te voldoen aan de begrotingsnorm die toegang verschaft tot de kerngroep van de EMU. En om de franc stabiel te houden op zijn huidige koers ten opzichte van de D-mark.

Deze strategie loopt met een wijde bocht om een specifiek Frans en een algemeen Europees probleem heen. Het eerste is de overheidssteun aan vaak verliesgevende staatsbedrijven, het tweede betreft de verzorgingsstaat. Zolang herziening van de verzorgingsstaat politiek niet bespreekbaar is, stuit ieder banenplan op de grenzen van het Verdrag van Maastricht. Die grenzen zijn gesteld om te voorkomen dat landen met een sterk uiteenlopend economisch beleid de overgang naar een gemeenschappelijke munt maken. Want dan zou het monetaire beleid van de toekomstige Europese centrale bank te zwaar worden belast.

DE RISICO'S van het Franse beleid zijn groot. Politiek, als het aantal nieuwe banen dat in het vooruitzicht is gesteld, niet wordt bereikt. Financieel als de vermindering van het begrotingstekort onvoldoende blijft. Monetair als het vertrouwen van de financiële markten in de stabiliteit van de franc omslaat, bijvoorbeeld als later dit jaar de Bundesbank zich genoodzaakt ziet om de Duitse rente te verhogen. Daarmee is het dilemma van de Europese ambities en de binnenlandse prioriteiten uitgekristalliseerd.