Deventer

JACOBUS REVIUS: Licht op Deventer. De geschiedenis van de provincie Overijssel en met name de stad Deventer

Boek 5 (1578-1619). Uit het Latijn vertaald en toegelicht door A.W.A.M. Budé, G.T. Hartong en C.L. Heesakkers

173 blz., geïll., Verloren 1995, ƒ 40.-

De predikant Jacob Revius verdient niet alleen bekendheid wegens zijn vrome verzen ('T'en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten..' etc.), maar ook vanwege een eigenaardige geschiedenis van zijn vaderstad Deventer. Wat in het voorafgaande geschiedde blijft in het duister, maar deze heruitgave van boek 5 ontleent zijn charme vooral aan de opgewonden beschrijving van wat er in zijn eigen levensjaren (1586-1658) voorviel. Het vangt een tien jaar voor Revius' geboorte aan, toen Deventer door het Staatse leger veroverd werd op de Spanjaarden, en eindigt in 1618 als de Nationale Synode van Dordrecht op gang komt, en niet alleen een geloof, maar ook een calvinistische politiek zijn beslag krijgt. Verwacht wordt dat ook boek 6 over enige tijd zal verschijnen, waarmee dan een persoonlijke kroniek van de 80-jarige oorlog beschikbaar is.

De Opstand is de eerste zestig bladzijden volop present, want Deventer viel dan wel na een beleg door graaf Rennenberg in protestantse handen, maar niet lang daarna liep diezelfde Rennenberg over naar Spaanse zijde en maakte de omgeving onveilig. Het nabijgelegen Zutphen dat nog door de Spanjaarden bezet was werd door vijandelijke bendes als uitvalsbasis gebruikt voor strooptochten langs de IJssel, en de krijgskansen keerden in die eerste decennia van de oorlog nog geregeld. In 1587 speelden de onbetrouwbare Engelse troepen van Leicester, die op verzoek van de Staten-Generaal de Reformatie waren komen steunen, de stad de Spanjaarden toe. Een nieuwe bisschop maakte zich al op om de zetel in de oude Lebuïnius-kerk weer te bezetten, toen Prins Maurits in 1591 met een snelle actie Deventer heroverde.

Revius bespreekt uitvoerig de personeelsverschuivingen die bij de machtswisselingen plaatshadden en hij meet het harde lot van de calvinistische ballingen, onder wie zijn vader en schoonvader, breed uit, maar vierhonderd jaar later valt vooral de continuïteit van de stedelijke instellingen op. Het stadsbestuur verschilde onder calvinistisch toezicht niet wezenlijk van de middeleeuwse inrichting, en ook het beheer van de kerkelijke goederen ging nog lange tijd op de oude voet voort. Geen wonder, want al noemt Revius geen aantallen, het is duidelijk dat een aanmerkelijk gedeelte van de Deventenaren niet het 'Ware Geloof' was toegedaan, maar de 'Roomse dwaalleer', dan wel het Lutherse protestantisme trouw bleven.

Maar gaandeweg de gebeurtenissen, als de aanvankelijke schermutselingen besloten worden met het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), bekruipt de lezer het gevoel dat er iets verandert. De grootmoedige wind van een hervormingsgezind humanisme kromp, en de felle adem van de lokale orthodoxie begon te waaien. Revius was te jong voor de strijd tegen de Spanjaarden, maar aan de twisten tussen de Remonstranten, de rekkelijke reformatorische richting, en de contra-Remonstranten, de preciezen, heeft hij van harte deelgenomen. Tijdens het Bestand werd hij tot vijfde predikant benoemd in Deventer, en vanaf de eerste dag heeft hij geijverd voor het alleenrecht, of ten minste het voorrecht, van de contra-Remonstranten inzake kerkelijk en politiek bestuur. Want onder de ruzies over geloofsartikelen, zoals de leer van de predestinatie, en benoemingen school een erfkwestie: wie zou in de voeten van de machtige katholieke kerk treden?

Meer nog dan het spannende relaas van het verraad en de herovering van Deventer op de Spanjaarden vormt deze worsteling om de nalatenschap van de middeleeuwen de harteklop van het boek. De strijd werd gevoerd tussen stadhouder en patriciaat, Provinciale Staten en Staten-Generaal, tussen een katholieke traditie van bestuur en de eigenzinnigheid van plaatselijke hervormers. Hij werd vooral met scherpe tongen gevoerd, maar desnoods met het zwaard, zoals Oldenbarnevelt die in 1619 op het schavot stierf, ondervond. Maar dan zijn we al weer een deel verder in deze ongegeneerd partijdige geschiedschrijving.