D66 Kamerlid Hubert Fermina; Geliefden hebben de neiging elkaar als auto's de garage in te rijden en te gaan verbouwen

Wat geloven we, wie vrezen we en waarom beminnen we? Iedere maand spreekt Frénk van der Linden met iemand die door overtuiging of ervaring een bijzonder inzicht heeft in geloof, dood of liefde. Over deze drie kernthema's van het leven deze week een gesprek met D66-kamerlid Hubert Fermina. “Wil je mettertijd alsnog priester worden, dan moet je dat doen, zei Ria. Precies daardoor kon ik voor haar kiezen.”

Hubert Fermina (47) werkte als hulpverlener in onder meer een rijksinrichting voor moeilijk opvoedbare jongeren in Amersfoort en een instelling voor dubbelgehandicapten in Doorn. Hij was hoofd bedrijfsmaatschappelijk werk in Dordrecht. Sinds mei '94 zit hij voor D66 in de Tweede Kamer. Foto Freddy Rikken

Het ongeluk gebeurde kort na ons trouwen. Goede Vrijdag 1980. Ria wilde graag naar een tentoonstelling in Keulen. Het kwam mij slecht uit: ik was gemeenteraadslid, had het druk, verheugde me op feestdagen thuis. Maar alla.

Zij reed. Op een kruispunt in Arnhem denderde een andere automobilist dwars door het rode stoplicht. Wam, knal, tegen haar kant. Ik had geen gordel om en werd uit de wagen geslingerd. Ria zat verdoofd in haar stoel - geen bloed, geen wond, niets. In de ambulance zag ik dat ze nergens op reageerde. Vreemd.

We leerden elkaar kennen in Het Dorp. Net van de middelbare school deed zij daar diaconaal werk. Ria verzorgde een lichamelijk gehandicapte vriend van me. Ze was een lief, non-verbaal iemand: aanwezig zonder breedsprakig te zijn. Haar Da Sein drukte meer uit dan haar woorden. Ria plaatste zichzelf niet op de eerste rij, en toch kon je onmogelijk om haar heen. Mensen trokken zich veel aan van wat ze niet zei, begrijp je? Een paradoxale vrouw. Het gekste was de vanzelfsprekendheid waarmee ze uitersten in zich verenigde. Een gelovige boerendochter uit de Noordoostpolder, opgevoed in de bijbelse traditie van de Hervormde Kerk - rechtervleugel, bijna de sfeer van Artikel 31 - die zich ruimdenkend, onconventioneel, eigenzinnig gedroeg. In dat milieu ligt het voor de hand dat je verpleegster of onderwijzeres wordt. Maar nee, Ria koos voor een beeldende kunst-opleiding. Ze maakte schitterende houtskooltekeningen. Schilderijen. Keramiek. Ik heb bijna alles bewaard. Meestal draaide het om mensen en menselijke gevoelens: eenzaamheid, de schreeuw om warmte. Picasso was voor Ria god met een kleine g.

Haar familie beschouwde creativiteit als een groot goed, maar de verdorven kunstenaars-scene viel niet te rijmen met religieuze idealen. Ria zag geen tegenstrijdigheid, wist iedereen te overtuigen. Zij ging niet linksaf, niet rechtsaf - ze ging haar eigen weg. Wat ze van huis uit had meegekregen, werd kritisch gewogen en vertaald in een persoonlijke variant. Ze was een loyaal soort rebel. Dat herkende ik. Dat was ik ook.

Haar ouders moesten wel even slikken toen ik halverwege de jaren zeventig ten tonele verscheen. Dat ik een donkere huid had: mwah, viel best mee te leven, tenslotte hadden ze jarenlang gebeden en geld gegeven voor zendingswerk onder zwarten. Maar dat ik rooms was! Ik voelde me niet bekeken als 'neger', geen sprake van, ik voelde me bekeken als 'die katholiek'. Rome was voor Ria's vader en moeder een wezensvreemd oord, waar een rare kerel met een muts op zijn hoofd zat te denken dat hij werkelijk Gods plaatsvervanger was. En ík behoorde tot die kerk? Ach, ach, ach.

In de praktijk stelden mijn schoonouders zich zeer sociaal op. Ze respecteerden de keuzes die Ria en ik maakten. Zeiden geen enkele keer dat we dit of dat, zus of zo moesten doen. Het was zéér duidelijk hoe zij over dingen dachten - van samenwonen waren ze niet gecharmeerd, seks was iets voor getrouwden -, maar ze gaven ons de kans een eigen levensstijl te ontwikkelen. Dat getuigde van wijsheid. Mede vanwege die houding zoek ik hen nog steeds op.

Ik kom uit Willemstad, Curaçao. Ons gezin behoorde tot de middenklasse. Mijn vader werkte bij de Shell, vijftig jaar lang: dat was safe, dan had je het goed. Een typische Antilliaan. Hard werken, maar altijd lol, altijd joie de vivre. Hij geloofde omdat zijn echtgenote geloofde. Ma was een brave, hyperkatholieke vrouw. Ze ging iedere ochtend om zes uur naar de mis, maakte de consistorie schoon, redderde wat... Ze zat meer in de kerk dan thuis. God beheerste haar leven, tot op de millimeter.

Ik ben een moederskindje. Ik kon een moord begaan als iemand haar kwetste of iets negatiefs zei. Alles, alles besprak ze met mij. Draaide mijn vader overtime, dan mocht ik bij haar in bed kruipen. Praatte ze tot diep in de nacht over gevoelens die ze niet bij hem kwijt kon. Mijn moeder werd mijn gids, mijn leidraad in het leven. “Jij wordt priester”, zei ze. Ik ging automatisch mee in het systeem: vlak nadat ik misdienaar was geworden, verhuisde ik naar de pastorie. Als jochie van zeven begon ik de dag devoot met het luiden van de klokken, het klaarmaken van het altaar, het inschenken van de wijn. Vaak verliet ik halverwege lessen op het Bonifatius College de klas voor begrafenissen en trouwerijen. Luxe! Bij een slecht rapport stond daar een spartaanse behandeling tegenover: bukken en stokslagen incasseren. Vandaag de dag heet dat kindermishandeling. Ik pikte het. Ik was bevoorrecht. Uitverkoren.

Op mijn dertiende ging ik naar het Sint Pius Seminarie in Santa Maria. Latijn, Grieks - geen verloren jaren. Je verkeerde onder de vleugels van Dominicanen, kon geen moment ontsnappen, wilde dat ook niet: buiten was de wereld woelig en slecht. En jij was juist voorbestemd om mensen te helpen dat zondige pad te verlaten. De arrogantie, hè. Vakanties bracht ik thuis door, en dan hield ik de andere kinderen zo lang mogelijk aan het bidden. Hadden ze minder tijd om op straat te spelen. Zogenaamd een heilig boontje, ondertussen een ordinaire pestkop. Een van mijn broers confronteert me daar nog steeds mee: “Ik kon niet studeren, omdat pa en ma vijfhonderd gulden per maand aan jouw paters moesten betalen. En wat leverde het op? Wat is er van je kerkcarrière terechtgekomen?”

Tot laat in mijn adolescentie was er geen spoor van twijfel aan mijn roeping. De vraagtekens ontstonden pas op het Groot Seminarie in Nijmegen. Ik had Curaçao verlaten met een duidelijk doel: terugkeren als de eerste zwarte bisschop van de Antillen. Eerlijk gezegd was dat vooral het verlangen van mijn moeder. Ik wilde haar niet teleurstellen, maar raakte al snel in een crisis. Het kereltje dat op een eiland nóg 's op een eiland had geleefd, stapte in Nederland uit zijn isolement. Ik schrok me het lazerus. Ik was een angstig kuikentje dat de eierschaal zag breken: wat gebéurt hier allemaal?

Ik wist niks van het leven, niks. Knokpartijen op straat, jatten in een winkel, schuifelen met een vriendinnetje: die hoofdstukken had ik overgeslagen. Bij de Dominicanen was seks taboe. Zelfbevrediging? Uitgesloten. Afblijven. Je leerde je begeerte onder de dekens te houden, vroeg Jezus Christus daarbij in gebeden om steun. Nou was ik gelukkig niet zo'n masturbant. Het bleef doorgaans bij een natte droom. Daar kon je niets aan doen; de vernederende gang naar een biechtstoel bleef je bespaard.

Holland herinnerde mij aan Sodom en Gomorra. Ik arriveerde eind jaren zestig: alles kon, alles mocht. Mamma mia, op popfestivals trokken ze zomaar hun kleren uit! In de katholieke kerk woedden discussies over het celibaat en lag Schillebeeckx met de paus overhoop. Ik had essentiële dingen gemist, en die moest ik als de donder inhalen. Ik snakte naar vrijheid. Tegelijkertijd wilde ik mijn oorspronkelijke doel niet opgeven. Voortdurend bonkte de belofte aan mijn ouders in die kop. Het werd een tweestrijd, oh jongens, een verscheurende conflictsituatie.

Op een gegeven moment besloot ik het seminarie tijdelijk te verlaten. Bedenktijd. Ik werd verpleger bij de Willibrord Stichting in Heiloo, een 'kerkelijke' psychiatrische inrichting. Dat was natuurlijk onzuiver: ik had niet de moed radicaal afstand te nemen. Ik worstelde met mijn moederbinding, durfde in feite de navelstreng niet door te knippen. Het zou háár pijn doen, het zou míj pijn doen... Dus: pappen en nathouden. Jaar na jaar. Ik verzweeg dat collega's me meelokten naar dancings, en dat ik de meisjes in Club Seven zo leuk vond. Zelfs in de fase dat ik al relaties met het andere geslacht onderhield - Wie is van hout? - schreef ik niet aan mijn moeder over twijfels en afhaken, maar over de preken die ik had gehoord.

Het priesterschap begon me afkeer in te boezemen. Met gespreide armen in zo'n gewaad gelovigen toespreken, boven het volk staan: het leek verdacht veel op zelfverheerlijking, Jezusje spelen. Dominus vobiscum et cum spiritum, 'De Heer zij met u, en met uw geest...' - hád iemand wat aan die woorden? Stond de kerk niet ver weg van de realiteit? Mijn geloof in God heeft nimmer gewankeld, maar ik werd ziek van het feit dat het instituut een ouderwets top-down-model hanteerde, ik werd misselijk van het gegeven dat de prelaten op een andere planeet woonden. Wie is er in hemelsnaam gediend met mooipraterij vanaf de zijlijn? Liefde voor je medemensen hoort zich te vertalen in daden. Dóe iets! Nou, in de hulpverlening kun je werkelijk wat betekenen voor geesteszieken, voor jonge delinquenten, voor blinden, voor zwakzinnigen, voor mensen die alleen op aarde zijn. Automatisch ging ik die kant op. Geen ogenblik spijt van gehad. Mijn loopbaan in de zorgsector was in wezen een seculiere vorm van priesterwerk.

Ik heb mijn moeder nooit verteld dat ik haar droom niet kon waarmaken. Ze kreeg kanker; ik had het gevoel dat de illusies haar lange tijd overeind hielden. We stuurden elkaar twee, drie brieven per week, maar het leek me verkeerd opening van zaken te geven. Ja, ik besef dat het draaierig klinkt. Misschien heb ik die tumor in haar borst als een excuus gebruikt - ik weet het niet. Ik zat ongelofelijk dubbel in elkaar. Bij haar doodsbed vroeg ik me af of ik het zo moest laten. Ze stierf onwetend.

Ziet gij een edel mens, tracht dan hem te evenaren. Ziet gij een slecht mens, onderzoek dan grondig uzelf. Dat is mijn lijfspreuk. Ria had dezelfde instelling. Zij was ook voortdurend bezig met vragen als: wat is houden van mensen, hoe ga je om met anderen, waar begint en eindigt de ruimte voor jezelf? Ze eiste mij niet op. “Wil je mettertijd alsnog priester worden, dan moet je dat doen”, zei ze. Ik weet zeker dat Ria dat had geaccepteerd. Precies daardoor kon ik voor haar kiezen.

We wilden beiden kerkelijk trouwen, maar hoe moest dat? Mijn Antilliaanse achterban stond niet te popelen om een sobere protestantse kerk zonder heiligenbeelden binnen te gaan. Na het ja-woord diende de bruid in maagdelijk wit, met een voile voor haar neus, naar Maria te lopen om het bouquet af te staan, de kinderwens uit te spreken en de zegen af te smeken. Voor zulke kwesties verzonnen we noodoplossingen. We doken een progressieve dominee op, en een pastoor die mij les had gegeven. De één kreeg geen seconde meer spreektijd dan de ander. Een trouwpartij die barstte van de compromissen - behalve op het punt van Ria's trouwjurk. Die naaide ze zelf, van blauwe Indiase katoen. Ik hoor het haar nog zeggen: “Ze bekijken het maar.”

Liefde vraagt en geeft. Wíj vroegen en gaven in ieder geval onophoudelijk. Onze levenswijzen liepen behoorlijk uiteen. Ria verbleef een paar dagen per week in Amsterdam, waar ze les gaf aan een joods lyceum. Ik deed intensief eerstelijnswerk in onze woonplaats Lelystad. 'De eik en de cypres groeien niet in elkaars schaduw', luidde het citaat van Khalil Gibran op onze huwelijkskaart. We probeerden te handelen naar zijn wijsheid: 'Leef met elkaar, maar eet niet uit elkanders bord'. Ik bezat haar niet. Zij mij evenmin. We maakten elkaar méé. Dat vergt wat, hoor. Gebondenheid in onafhankelijkheid vereist dat je de ander aanvaardt zoals-ie is. Geliefden hebben de neiging elkaar na verloop van tijd als auto's de garage in te rijden en te gaan verbouwen. Aan de voorkant een onderdeeltje eraf, aan de achterkant een onderdeeltje erbij: wég inspirerend onderscheid. Je houdt dan twee verminkte mensen over. Tragisch. Ria en ik wilden dat voorkomen. Het lukte, al merkten we dat in onze kracht een zwakte school. Verschillen zijn nu eenmaal wrijfpunten. Ik zag haar het liefst met een vriendin op vakantie gaan. Museum in, museum uit - bah. Vermaakte ik me ergens anders met Piet of Karel. Sommige mensen snapten daar niets van: “Hebben die twee eigenlijk wel wat met elkaar?”

In het ziekenhuis vertelde een zuster 's nachts dat ik in orde was. “Maar uw vrouw is er ernstig aan toe.” Ria lag aan de beademing. Even prachtig, verzorgd en rustig als altijd. Ze leek te slapen. Volgens mij knipperde ze zo nu en dan met haar ogen, maar de doktoren dachten er anders over. Ik sprak honderduit tegen haar. Deed bandjes met vrolijke liedjes in de cassetterecorder. Las voor. Gabriel García Marquez, Honderd jaar eenzaamheid.

Ria had een klap opgelopen in het bovenste gedeelte van haar wervelkolom, tussen de atlas en de draaier. Er was iets geknakt. Het centrum van het zenuwstelsel, de hersenstam en de kleine hersenen bleken beschadigd. Op de intensive care werkten ze zich te pletter. Magnifiek. Ik had er vertrouwen in. Morgen, dacht ik, morgen ligt Ria me stralend op te wachten. Eerste paasdag zag ik een eitje op haar nachtkastje staan. Heerlijk ogenblik: dat zetten ze daar niet voor niets neer! Een week later had Ria nog geen pink bewogen. Het kwam niet goed, het kwám maar niet goed.

Het medisch team riep me bij zich. “We hebben er een poosje in geloofd”, zeiden ze, “maar nu niet meer. We moeten het opgeven.” Ze vroegen mijn toestemming om zeg maar de stekker eruit te halen. Het hoefde niet meteen, ik mocht zelf het tijdstip kiezen. Ik heb geen moment getwijfeld of ik mijn handtekening zou zetten. Raar hè? Je breekt het leven van je grote liefde af, je stelt vast dat iemand van 25 geen toekomst meer heeft. Terwijl ze eeuwig aan de monitor kan blijven liggen! Al mijn botten deden zeer, maar ik wist dat Ria niet als een plant verder wilde leven. Ze zei als het ware: “Hubert, maak er een eind aan”.

Ik heb haar ouders niet geraadpleegd. Ze was míjn vrouw, het was míjn beslissing. Bovendien wilde ik haar vader en moeder niet in de positie plaatsen dat zij zich 'schuldig' moesten maken aan euthanasie. Vanwege hun strenge godsdienst stonden ze daar afwijzend tegenover. Terugkijkend ben ik trots op de gang van zaken. Zij accepteerden mijn besluit. Verweten me niets. “De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen”, zeiden ze. Zover ben ik zelf nooit gekomen.

Het laatste uur met Ria was het mooiste dat ik ooit heb meegemaakt. Ik zat daar alleen. Stil. Een verstrengeling van dood en liefde. Zonder bitterheid, zonder protest. Ik geloof dat zij ook geen wroeging had. Ik zag haar glimlach - nou ja, ik 'hoopte' haar glimlach.

Priester zie ik mezelf niet zo gauw meer worden. Ik ben praktiserend katholiek gebleven, doe het een en ander in de marge van de kerk. Af en toe knarsetandend. Als bestuurslid van de charitasafdeling van het bisdom Rotterdam heb ik de wantoestanden rondom bisschop Bär van dichtbij gadegeslagen. Hij is platweg gezegd gedumpt. Dat had niet mogen gebeuren. Waarom ik me ondanks alles identificeer met die kerk? Je kunt je wortels verloochenen, maar je kunt ook zeggen: ik probeer van binnenuit veranderingen te bewerkstelligen. Als je weggaat, verlies je het recht van spreken. Ik ben geen drammerige wereldverbeteraar, ook niet als Tweede Kamer-lid, maar het vermijden van een gevecht vind ik laf.

Ik voel me verrijkt door de dood van Ria. Ik zou bijna zeggen: ik gun iedereen zo'n ervaring. Mensen vinden dat ongetwijfeld een wrang geluid, maar ik ben nu in staat alles tussen geboorte en dood te relativeren. De ruzies, de machtsvragen, de kastelen die we bouwen: flau-we-kul. Je gaat het in de juiste proporties zien. Ik kijk tegen niemand meer op. Wat denken wij - stof in de wind, pluisjes, niksjes - wel niet voor te stellen? Wat pretenderen politici wel niet?

D66 heeft de pragmatiek hoog in het vaandel. Toch kan een belijdend christen zich prima thuis voelen in de partij. Ik geloof niet in confessionele politiek. Die 'ik ben mijn broeders hoeder'-benadering komt erop neer dat je mensen voorschrijft wat zij moeten doen en laten. Ik zoek het liever in een sociaal-liberale club, die zoveel mogelijk vrijheid creëert voor individuele gewetens. Mijn persoonlijke belevenissen hebben me bijvoorbeeld gesterkt in het idee dat de D66-opvattingen over euthanasie deugen.

Ik bestrijd dat wij gezichtloos zijn. We hebben uitgesproken opvattingen. Zo verzet ik me fel tegen het Nederlandse minderhedenbeleid. Al voordat Bolkestein van leer begon te trekken, meende ik dat buitenlanders teveel in de watten worden gelegd. Worden doodgeknuffeld. We verwennen de etnische minderheden - vanuit een schuldcomplex dat stoelt op het koloniale verleden. Dáárdoor ontstaat de narigheid rondom allochtonen. We geven hen bij wijze van spreken kapitalen voor aparte organisaties. We subsidiëren de hokjesgeest. En constateren vervolgens verbaasd dat het niet goed gaat, dat er integratieproblemen zijn! Het is prima dat de eigen verantwoordelijkheid van allochtonen zo langzamerhand accent krijgt. Had veel eerder moeten gebeuren.

Het geld dat we nu beschikbaar stellen aan honderd-en-één instellingen voor, door en met buitenlanders kan veel beter worden overgeheveld naar potten van onderwijs en sociale zaken. Die bedragen kunnen we dan gebruiken om scholing en werkgelegenheidsprojecten voor migranten te financieren. Daarmee bevorder je hun zelfstandigheid. Niet bang zijn.

Plaatselijke overheden die zien dat er pakweg tien buitenlanders in een straat wonen, doen er verstandig aan de elfde tegen te houden. Naast het bestuderen van zulke ideeën moet je in allerlei wijken betaalbare woonruimte creëren. Grijp in, hoe dan ook. Laat de spanningen niet escaleren. Neem van mij aan: Surinamers en Antillianen willen zelf ook niet a priori bij elkaar hokken. Ria en ik hadden het dikwijls over dit onderwerp. Op den duur begreep zij dat ik de mening van zovéél zwarten, zovéél allochtonen vertolk.

Mijn vrouw werd zaterdags begraven. 's Maandags ben ik gaan werken. Vond ik fijn. Jan en alleman riep dat ik getikt was. Men bood mij alle psychologen en psychiaters op aarde aan. Ik sloeg het feestelijk af, ik had meer aan het pannetje soep dat mijn buurvrouw dagelijks voor de deur neerzette. En aan de bossen bloemen die een anonieme vriend of vriendin maandenlang liet bezorgen.

In alle gesprekken die ik sindsdien voer, in alle relaties die ik heb, in alle levens die ik leid, blijft Ria de rode draad. Ze is bij me; ze zal altijd bij me zijn. Ze leeft, haar geest bestaat voort. In mij, maar waarschijnlijk ook ergens anders, op een plaats die zich niet laat kennen. Daar gebruik ik bewust geen woord als hemel voor. Gouden borden, de troon van god: ik vind dat zo'n onzin. Ik zie Ria niet als een vroom engeltje rondzweven.

Een tijdje geleden zond de Evangelische Omroep een film uit over een Amerikaanse coma-patiënt die na tig jaar terugkeerde in het land van de levenden. Zomaar, hup, weer bij bewustzijn. Ik had het te kwaad. Wist het even niet meer: had ik bij nader inzien...? De artsen met wie ik erover sprak, zeiden dat de ene situatie de andere niet is. “Ria was eigenlijk al dood, Hubert. Wij hebben haar alleen nog een poosje in leven gehouden”. Okee, okee. Vrede.

Nederlanders, merk ik, kunnen slecht rouwen. Ze stoppen de gestorvene vaak letterlijk én figuurlijk weg. Lopen krampachtig om het verdriet heen. Zwijgen. Ik kan erover praten, ik wíl erover praten, omdat ik de pijn toelaat. Omdat ik niet geforceerd een punt achter Ria zet. Je moet met de doden leven om er afscheid van te kunnen nemen.