Collaboratie

Tegen elke honderd boeken over de geschiedenis van de oorlog in Nederland staat er, ruw geteld, maar één over de oorlog in het voormalige Indië. De 'Indische' literatuur is weliswaar niet meer het beetje 'ongelezen romans en een paar vergeten memoires' zoals de historicus H.L. Wesseling eens de historiografische toestand typeerde (Indië verloren, rampspoed geboren, 1988), maar veel meer dan een handvol is het nog altijd niet. Zeker niet in de categorie gedenkschriften van Indonesische nationalisten, die het, op die van Sjahrir en Salim na, in Nederland nooit tot oplagen van enige betekenis hebben gebracht. Ik hoop dat de recente kentering in de belangstelling voor Indonesië de pas verschenen memoires van Roeslan Abdulgani meer geluk brengt. Dat zou de auteur (met zijn co-auteur Casper Schuuring) ook toekomen, want Abdulgani is een van de laatsten der mohikanen uit de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd en bovendien een politieke veteraan met een verrassend relativerende visie op de dekolonisatiegeschiedenis.

Dat laatste blijkt al in het begin van het boek (Roeslan Abdulgani, 188 blz., uitgeverij Warung Bambu, Breda, 1995) uit zijn onvooringenomen waardering van de koloniale geschiedenis: het koloniale bewind legde de basis voor een moderne industrialisatie op Oost-Java en voor uitstekend onderwijs. Het tegenwoordige onderwijs “is nu helaas nog niet overal op hetzelfde peil als in de Nederlandse tijd, niet zo diepgaand, te oppervlakkig”. In zijn toespraken bij de jaarlijkse herdenking van de proclamatie van de Republiek tracteert de voormalige departementsambtenaar en vice-premier zijn gehoor van onderwijzers en dorpshoofden elk jaar op pedagogische oerbeginselen uit de oude koloniale doos. “Ik zeg altijd: 'Jullie moeten lezen, lezen, lezen. Ik haal ook elke keer Jan Ligthart weer aan. Rechtop van lijf, rechtop van leden; daar moet je mee beginnen. Dat zijn dingen die ik in de koloniale tijd geleerd heb”.

Abdulgani heeft in zijn jonge jaren heel wat reactionaire koloniale bazen versleten, maar ze hebben nooit zijn gematigde, irenische natuur kunnen bederven. Zelfs nadat hij op grond van een overspannen aanklacht van de Politieke Inlichtingen Dienst 'wegens politieke misdragingen buiten de school' van de Europese Kweekschool werd gestuurd en hij de begeerde onderwijsbevoegdheid misliep, bleef hij zijn smetteloze Nederlands onderhouden. Elke ochtend oefende hij voor de spiegel om de weerbarstige 'z' onder de knie te krijgen en declameerde hij voor zichzelf: “De zee klotst voort in eindeloze deining, de zee waarin mijn ziel zichzelve weerspiegeld ziet”.

Meer met spijt dan met rancune verwijt Abdulgani het koloniale Nederland het Indonesische nationalisme koppig te hebben onderschat. Onderschatting als hoofdoorzaak van het debacle, naast 'grote zelfgenoegzaamheid'. “Er zat niet de geringste beweging in de koloniale visie van de Nederlanders. In onze ogen waren zij de meest koele en stugge mensen, die ons veel te weinig aanboden en van ons te veel vroegen. De Nederlanders waren gevangenen van hun bureaucratisch denken”.

Onderschatting van de psychische dynamiek van het nationalisme, dat bij het uitbreken van de wereldoorlog de kinderschoenen al lang was ontgroeid, produceerde ook het onbegrip, dat jaren na de oorlog de Nederlandse politiek nog parten zou spelen. Het kabinet-Schermerhorn-Drees weigerde Sukarno aan de onderhandelingstafel te ontmoeten, omdat men die in Den Haag voor een collaborateur hield. Drees heeft die kwalificatie later weliswaar teruggenomen (toen hij inzag dat Nederland niet om Sukarno heen kon), maar dat neemt niet weg dat hij in zijn pogingen tot nieuwe verhoudingen te komen door zijn eigen morele criteria gehinderd werd. Het is begrijpelijk dat Abdulgani zich op dit punt het meest teleurgesteld toont in de progressieve sociaal-democraten, die met de communisten van oudsher bij uitstek de pleitbezorgers van de ontvoogding der koloniën waren.

Abdulgani beziet het Indonesische nationalisme uit de oorlogsjaren uit de kraamkamer van de revolutie en dat levert een scherper beeld op dan de toenmalige eurocentrische politiek er altijd van gehad heeft. Uit zijn beschrijving van Hatta's bovengrondse politiek en Sjahrirs ondergrondse verzet (de z.g. dubbele tactiek van samenwerking en verzet) komt ook Sukarno's 'collaboratie' in een ander licht te staan. De Nederlanders (en de Engelsen, die dezelfde ondeugdelijke antennes hadden) hebben volgens Abdulgani nooit de antifascistische instelling van het Indonesische nationalisme onderkend. Sukarno en Hatta opteerden voor samenwerking met de Japanse bezetter (zoals sommige Nederlandse secretarissen-generaal met de Duitsers samenwerkten), maar ze deden dat zonder de strijd voor hun eigen onafhankelijkheid op te geven. Volgens Abdulgani konden ze in wezen hun handen vrij houden doordat een 'diep gewortelde antifascistische instelling' een geestelijke samenwerking met de Japanse bezetter onmogelijk maakte. “De Japanners kregen ons nationalisme niet kapot en het was in feite ook tegen de Japanners gericht”.

Zonder Sukarno af te vallen, maakt Abdulgani - die tijdens de oorlog actief was in de ondergrondse van Surabaya - er geen geheim van dat zijn sympathie meer naar de 'illegalen' van Sjahrir uitgaat dan naar de 'collaborateurs' in de eerste linie van de nationalisten. Als vooraanstaand staatsambtenaar moet hij de kerk zoveel mogelijk in het midden laten, maar tussen de regels door laat hij doorschemeren dat Sjahrir zijn held uit de geschiedenis is. Sjahrir, die voor totale afwijzing van samenwerking met de Japanners was. En die in die afwijzing zo onverzettelijk was dat 'hij zich nooit bovengronds liet zien'. Dezelfde Sjahrir was ook de held van een aantal vooraanstaande verzetsfiguren uit de Nederlandse ondergrondse.

    • Harry van Wijnen