Britse Eurohaters zijn nu aan bod

LONDEN, 24 JUNI. Europese integratie is oorlog, vindt Ian Milne, hoofd van de European Foundation, de meest invloedrijke lobby-organisatie van Europa-haters in Groot-Brittannië. Hij voelt zich door de Europese besluitvorming in Brussel al jaren in het nauw gedreven. “Ik zie in slow motion weer gebeuren wat er in 1939 is gebeurd. Alleen de gezichten zijn veranderd.”

Milne is Euroscepticus, en dat is zacht uitgedrukt. Milne vindt Europese integratie “kwaadaardig” en zijn gevoelens zijn in Groot-Brittannië gemeengoed. Ze liggen ook ten grondslag aan de leiderschapscrisis waarin premier Major verzeild is geraakt. Milnes Conservatieve geestverwanten in het parlement zijn al meer dan twee jaar bezig aan Majors stoelpoten te zagen omdat hij niet krachtig genoeg 'nee' zegt tegen Europa.

Major heeft lang geprobeerd voort te dobberen op de verdeeldheid in zijn partij over Europa, totdat de voortdurende aanvallen hem deze week te veel werden en hij vooruit vluchtend zijn eigen leiderschap ter discussie stelde. “Het Europese beleid van Major bestaat niet”, zegt Milne, “hij waait met alle winden mee, hij tekent het verdrag van Maastricht, het meest federalistische ontwerp ter wereld en zegt dat hij het Britse belang verdedigt. Het zijn allemaal leugens. Onze wetten worden allang buiten Groot-Brittannië gemaakt.”

Major is afgetreden, maar als hij opnieuw wordt gekozen wil hij de kritiek van de Eurosceptici niet meer horen. “Hij zal verdwijnen”, zegt Milne, “nu, of over een paar maanden. Hij zal in ieder geval veel schade oplopen.”

De organisatie van Milne werd twee jaar geleden opgericht door het Lagerhuislid Bill Cash die machteloos had moeten toezien hoe Major in 1993 het Verdrag van Maastricht door het parlement kreeg. Formeel is de organisatie niet aan de Conservatieve partij verbonden, maar de leden stemmen er allemaal op.

Samen met andere parlementsleden, advocaten, economen en zakenmensen richtte Cash de Europa-stichting op om middels publikaties en discussie-avonden duidelijk te maken dat Groot-Brittannië met Europa tariefloos goederen mag uitwisselen, maar zo min mogelijk te maken moet krijgen met een gemeenschappelijk gerechtshof, een parlement, en al helemaal niet met een munt, of een buitenlandse en justitiële politiek.

Major kan de crisis overleven, zegt Milne, als hij zijn Europese politiek radicaal verandert. “Als hij nu zegt: ik benoem Michael Portillo (minister van werkgelegenheid, bekend om zijn liefde voor de natie-staat en haat tegen Brussel) tot minister van buitenlandse zaken en zeg tegen Kohl dat ik Maastricht wil herroepen, zullen de Britten concluderen dat hij tenminste èrgens in gelooft en zal hij van iedereen steun krijgen.”

De Britse Eurosceptische beweging bestond al in de jaren '50, zegt Milne. Toen Groot-Brittannie in 1973 toetrad tot de Gemeenschap, waren er al veel tegenstanders. Maar hoe verder de integratie gaat, hoe dieper en groter de weerstand wordt. Volgens Milne is Europa nu het belangrijkste onderwerp in de Britse politiek. Het heeft niet met links of rechts te maken, Labour telt volgens Milne net zoveel Eurosceptici als de Conservatieve partij. “Het is een kwestie van ja of nee. De vraag is of Groot-Brittannie een onbetekenende provincie wordt, of een succesvolle en onafhankelijke natie-staat blijft.”

In Europa is alles onderhandelbaar, belangen, hoe dierbaar ook, worden tegen elkaar weggestreept, zegt Milne. “Ik weet van contacten bij het Coreper (de ambassadeurs bij de EU die de Europese besluiten voorbereiden) dat een richtlijn voor dierentransport wordt uitonderhandeld tegen het zenden van troepen naar Bosnië.”

Milne verdiende als bankier veel meer dan als hoofd van de European Foundation. Hij had geen keus, zegt hij “Ik vind de strijd tegen Europese integratie even belangrijk als de strijd die we in 1945 hebben gevoerd tegen de Duitse overheersing.” Volgens Milne is de vijand nu moeilijker te identificeren. “Vroeger waren het hun vliegtuigen tegen de onze, nu zijn het papieren en argumenten.” Het doel van Maastricht is volgens Milne om “een federale staat te vestigen en om de democratie te vernietigen”. Zelfs als alle Britse afgevaardigden in het Europese parlement dezelfde stem uitbrengen zijn ze nog zwaar in de minderheid, zegt hij. Bovendien kunnen de parlementsleden elkaar niet verstaan. “Hoe kan ik beoordelen of een Portugees een goed politicus is? Dat gaat niet via een tolk. De Britse belastingbetaler betaalt voor een tabak-firma in Griekenland. Waar is dat goed voor? hoe dient dat het Britse belang?”

Aanvallen, aanvallen en nog eens aanvallen, dat moeten de Eurosceptici volgens Milne doen. Dat ze de Conservatieve partij daarmee beschadigen, is bijzaak, de Europese politiek gaat voor. Als de Conservatieven de verkiezingen een keer verliezen, is dat volgens Milnes ook geen drama. Het voordeel van een tijdje oppositievoeren is zelfs dat de partij dan eindelijk onverdeeld Eurosceptisch zou worden. “En dan winnen we gegarandeerd de volgende verkiezingen.”

Milnes ideaal is dat Michael Portillo minister van buitenlandse zaken Hurd vervangt en dat minister van financiën Clarke, die maar geen 'nee' wil zeggen tegen de Europese Monetaire Unie, wordt vervangen door de veel Eurosceptischere minister John Redwood. Maar dat is niet realistisch. De pro-Europese Conservatieven zouden die benoemingen nooit accepteren. Milne leunt achterover, lacht en zucht “Dat is nu juist het probleem. Dat is de reden dat John Major er nog altijd zit.”