Beroepsrisico in Boedjonnovsk; 'Het was maar één leven, maar het was wel mijn leven'

Natasja wilde liever niet naar Boedjonnovsk. Maar haar man Gisbert, verslaggever voor het Duitse blad Focus, moest wel. Zij ging toch mee. Bij een controlepost werd ze doodgeschoten. Per ongeluk. Uit het reporter's notebook: het leven, en de dood, van een journalist.

In dit verhaal gaat alles zoals het altijd gaat in de journalistiek, behalve dat er iemand wordt doodgeschoten.

Wij ontmoeten Natasja en Gisbert zaterdagmiddag op het Moskouse vliegveld Vnoekovo, wachtend op een vlucht naar Mineralnje Vodi. Hij werkt voor het Duitse weekblad Focus en zij is zijn assistente en sinds twee maanden ook zijn vrouw. Net als wij zijn zij op weg naar Boedjonnovsk, de Zuid-Russische provinciestad waar zich sinds de woensdagavond daarvoor een gijzelingsdrama afspeelt. Net als wij zijn zij door omstandigheden verlaat op weg gegaan en sjacherijnig dat collega's al enkele dagen ter plaatse zijn. En net als wij hebben zij hun tickets beneden in de hal gekocht bij zwarthandelaren, die tegen verdubbelde prijzen plaatsbewijzen aanbieden voor een vlucht die officieel allang is volgeboekt.

Waarom gaan journalisten überhaupt naar oorlogsgebieden als Tsjetsjenië, behalve omdat het hun werk is? Sommigen raken verslaafd aan de spanning, hullen zich in militaire kleding en vechten als het ware mee. Anderen genieten van het werken onder moeilijke omstandigheden en voelen het leven nergens zo intensief als in de buurt van de dood. Weer anderen hopen misschien dat hun berichtgeving helpt het conflict te beëindigen. Er zijn er ook die gewoon willen zijn waar 'het' gebeurt. En zo zullen er nog wel honderd redenen zijn.

Voor Natasja niet. Zij wil liever helemaal niet naar Boedjonnovsk. Het is er gevaarlijk, het is onduidelijk of er een goed verhaal te maken valt en de belangrijkste nieuwsontwikkelingen hebben we toch al gemist. “Laten we het vergeten en naar de datsja gaan”, zegt ze tegen Gisbert. Ze wijst er ook op dat het al vroeg donker wordt in de Kaukasus, veel vroeger dan in Moskou, en dat het toch niet meer mogelijk zal zijn zijn om vandaag nog Boedsjonnovsk te bereiken. Zo zullen we nog een dag verliezen. De hele onderneming loont eigenlijk de moeite niet meer.

Natuurlijk vertrekken we wel. Met z'n zevenen. De fotografen Oleg Klimov en Oleg Nikisjin, een Nederlandse collega en diens vriendin, Natasja en Gisbert. Onderaan de vliegtuigtrap lijkt Natasja haar tegenzin alweer vergeten en in het gedrang staat ze grappen te maken. In Mineralnje Vodi bekt ze ad rem een taxichauffeur af die vierhonderd dollar voor de rit naar Boedjonnovsk vraagt. Een mini-busje voor ons alle zeven is niet te vinden en daarom regelen we twee taxi's: het echtpaar van Focus plus Nikisjin in de ene auto, de vier anderen in de andere. Hun Lada is iets sneller dan onze Wolga, maar we zullen elkaar bij aankomst wel weer terugzien.

Dat gebeurt onder andere omstandigheden dan verwacht. Als we bij donker Boedjonnovsk binnenrijden stuiten we bij het politieburau, dat tijdens de gijzeling dient als 'generale staf', op een opgewonden menigte journalisten en politiemensen. Bij navraag blijkt dat Sjamil Basajev, de leider van de Tsjetsjeense gijzelnemers, heeft aangekondigd een persconferentie te geven en er staan busjes klaar om journalisten naar het door de Tsjetsjenen bezette ziekenhuis te rijden. Het is een gedrang en gedoe, want niet iedereen mag mee. Basajev zou de Russische pers hebben uitgenodigd, plus de televisieploegen van CNN en het Duitse RTL. Omdat de verslaggever van RTL nergens te vinden is worden het uiteindelijk CNN en het Duitse ARD.

In het gedrang komt onze chauffeur naar ons toe - de bagage ligt nog in zijn auto - om met een bleek gezicht te vertellen dat de chauffeur van de andere auto is beschoten en gewond naar het ziekenhuis is gebracht. Het hoe en waarom is niet duidelijk. Dat is een schok, want de gewonde heeft immers de auto van onze Duitse vrienden bestuurd. Maar wij kennen hem verder niet en misschien kunnen we nog mee naar de persconferentie van Basajev. Totdat een paar minuten later voor een tweede keer aan onze arm wordt getrokken. “En dat meisje dat jullie kennen...”, slikt de chauffeur, “zij is dood.”

Normaal

We lopen met hem mee en ongeveer vijftig meter van het politiebureau en het gedrang, in een zijstraat, staat een panterwagen met daarbovenop, zover dat in het donker te zien is, enkele verveelde Russische soldaten. Aan de achterkant van de pantserwagen staat Gisbert, zijn haren door de war, zijn gezicht vertrokken, zijn arm en t-shirt onder het bloed. Eén van de twee achterdeurtjes van de pantserwagen staat open en daarbinnen ligt Natasja. Ze ligt in een rare houding, haar benen gevouwen en haar hoofd hangend over de rand. Het is dezelfde Natasja waarmee we de hele dag zijn opgetrokken en toch is ze heel anders. Het enige dat normaal oogt was haar tas, die naast haar staat.

“Ze hebben haar doodgeschoten”, is aanvankelijk het enige dat de in schoktoestand verkerende Gisbert zegt, tientallen keren achter elkaar. Daarna vertelt hij wat er is gebeurd. Hun auto werd staande gehouden bij de controlepost aan de rand van de stad, de eerste wegversperring van het leger na meer dan tien geïmproviseerde posten van gewapende burgers en met dolken zwaaiende kozakken. “Ze gaven ons onze documenten terug en wensten ons goede reis. We trokken op, rustig, geleidelijk, en toen we honderd meter hadden gereden werd er ineens geschoten. Vanaf dezelfde controlepost waar we zojuist waren geweest. Natasja viel om. Ik ga dood, ik ga dood, zei ze. En ze stierf in mijn armen. Ik kan het niet geloven.”

De chauffeur was gewond geraakt door de kogels die door de achter hem zittende Natasja waren heengegaan. De auto kwam tot stilstand en er kwam een officier aanhollen. “Waarom? Waarom?”, gilde Gisbert. “Een van de soldaten heeft per ongeluk geschoten”, zei de officier. “Het is een misverstand.” Natasja werd uit de auto gehaald, in de pantserwagen gelegd waarvandaan zij was gedood en naar Boedjonnovsk gereden. Daar waren ze enkele minuten geleden aangekomen.

Zo vertelt Gisbert het en als hij klaar is wordt het stil. In de verte klinkt het rumoer bij het politiebureau. Hij knielt bij het lichaam van zijn vrouw maar komt daarna met een ruk weer overeind. “Ik wil niet dat ze haar weghalen. We moeten naar de politie, maar iemand moet bij haar blijven en zorgen dat ze haar niet weghalen.” Eén van ons gaat met hem mee naar de politie. Hij zal later vertellen hoe dat ging. “Niemand wilde zijn verhaal horen. De telefoon ging steeds en dan zeiden ze: wacht u even, de telefoon gaat. En dan namen ze de hoorn op en gingen er weer minuten voorbij. Gisbert begon te schreeuwen en toen riep ineens zo'n mens: Ach man, maak niet zo'n drukte, ze doden de onzen toch ook.”

Geweer

Bij de pantserwagen komt op dat moment al de eerste fotograaf langslopen. “Hé, wat is dat?”, vraagt hij. En begint foto's te maken. Dan komt er nog één en na enkele minuten verschijnen ook de eerste televisieploegen. Op hun vragen vertellen wij het verhaal. Maar de achternaam van Natasja en haar precieze leeftijd, dat weten wij ook niet. Zoekend om zich heen kijkend wenden de cameralieden zich af. Een assistente van het persbureau Reuter trekt haar draagbare telefoon om alvast de correspondent te bellen. Hoe spel je Gisbert, wordt aan de andere kant van de lijn gevraagd.

Onder de fotografen vinden we ook Oleg Nikisjin terug, de fotograaf die bij Natasja en Gisbert in de auto had gezeten. Hij is alweer aan het werk. Natasja was een leuke vrouw van veertig en Oleg denkt dat een van de soldaten haar waarschijnlijk heeft nagekeken door het vizier van zijn wapen en dat het wapen toen per ongeluk is afgegaan. Stanislavski schreef dat al: als er op het toneel een geweer aan de muur hangt moet dat op een gegeven moment wel afgaan.

Er komt een man in uniform en met een enorme pet op aanlopen, die zich bekend maakt als de militaire openbare aanklager. En dit is de lijkschouwer, zo stelt hij de man in sportbroek en t-shirt voor die hem vergezelt. Gaat u allemaal even opzij, dan kunnen de koplampen van die jeep daar ons werk bijlichten. De lijkschouwer bekijkt Natasja en dicteert wat hij ziet aan de openbare aanklager, die dat met een potloodje neerschrijft op een standaardformulier. Daarna trekken zij samen Natasja uit de pantserwagen en leggen haar op de grond om haar in detail te onderzoeken. Dat geeft een plof en er druppelt bloed over de rand van de pantserwagen op de grond. De lijkschouwer maakt haar blouse open en er wordt een gat zichtbaar zo groot als een vuist.

Juist op dat moment komt Gisbert aanlopen en die kan zich bij wat hij ziet bijna niet staande houden. Nu hebben alle aanwezigen wel hun afschuw uitgedrukt maar niet één journalist kijkt zo onthutst als Gisbert. “Kent u de dode soms?”, vraagt een televisieverslaggever. Gisbert begint als in trance zijn verhaal weer te vertellen, de verslaggever wenkt snel zijn cameraman en in het daaropvolgende kwartier wordt Gisbert door een horde hem omringende collega's geinterviewd. Ondanks de schok spreekt de Duitser coherent en het levert beelden op die nog diezelfde avond de hele wereld over gaan.

Als het verhaal is verteld doen de cameramannen hun lampen weer uit. De correspondenten van de persbureaus lopen op een holletje terug naar het Huis van de Cultuur, de schouwburg waar de meeste journalisten hun apparatuur hebben opgezet. Fotografen verdwijnen ook haastig. Het telt nu eenmaal om de eerste te zijn. En Gisbert blijft weer alleen achter met zijn Natasja. De lijkschouwer duwt hem haar horloge in zijn hand. “Maar wat moet ik daarmee?” vraagt Gisbert. “Neemt u het als aandenken”, zegt de lijkschouwer. En de openbare aanklager adviseert: “Gaat u nu maar met uw collega's mee. Het lijk moet naar het mortuarium.” Gisbert kijkt hem niet-begrijpend aan. “Ik blijf bij haar”, deelt hij mee.

Eén van de fotografen is nog achtergebleven. Hij kent Gisbert goed en verkeert duidelijk in een dilemma. Hij heeft zijn ene hand troostend op Gisberts schouder gelegd maar in zijn andere hand heeft hij een volgeschoten filmpje. Hij vindt een uitweg. “Geef dit onmiddelijk aan AFP om weg te sturen”, roept hij zijn assistent toe. De fotograaf refereert aan het Franse persbureau dat - net als andere persbureau's - over apparatuur beschikt waarmee foto's direct vanaf het negatief kunnen worden verzonden naar redacties overal ter wereld. “En laat twee opnamen als special naar Focus sturen, in München ja.” Daarna stapt hij met Gisbert in de ambulance. Gisberts sateliettelefoon en de tas van Natasja nemen wij mee naar het Huis van de Cultuur.

Granaat

Wij hebben Gisbert niet meer gezien. Hij heeft de nacht bij zijn Duitse collega's doorgebracht en de volgende morgen moesten wij aan het werk. Over Natasja hebben wij nog wel gehoord. “Wegwezen hier”, zei bijvoorbeeld s'middags een soldaat toen wij te dicht bij het bezette ziekenhuis kwamen. “Het is voor uw eigen veiligheid. Vannacht is er ook al een correspondente door een sluipschutter neergeschoten. Die Tsjetsjenen zijn tot alles in staat.” En maandag in een televisieverslag van de begrafenis van Natasja las de nieuwslezer: “De autoriteiten hebben meegedeeld dat de auto van de correspondente weigerde te stoppen bij een controlepost.” Dinsdag werd bekend dat de dienstplichtige die het noodlottige schot had gelost, alsnog is gearresteerd op verdenking van 'roekeloze omgang met zijn wapen'. Hij zou daarvoor enkele jaren gevangenisstraf kunnen krijgen, maar Andrej Piontovsky, een deskundige van het Moskouse Centrum voor Strategische Studies, zei in The Moscow Times te betwijfelen of het zover zou komen: “Er zijn mensen in het leger die dit een goede les voor journalisten vinden. Moeten ze zich maar niet overal mee bemoeien.” Het gaat bovendien niet om een uniek geval. Al de volgende dag in Boedjonnovsk kwam een Russische majoor om en raakten twee andere mensen gewond toen een pantserwagen per ongeluk een granaat afschoot. En in een halfjaar oorlog in Tsjetsjenië zijn al zeven journalisten omgekomen.

Natasja Aljachina is maandag begraven in Krasnodar, een paar honderd kilometer van Boedjonnovsk, waar haar vader en twintigjarige zoon wonen. Gisbert Mrozek hield, nog steeds gekleed in zijn bebloede t-shirt, een grafrede. “Ik weet het, dit was maar één leven, terwijl het geweld in Boedjonnovsk vele levens heeft gekost. Maar dit was wel mijn leven.”