Berlijn (1237); Een onverklaarbare stad

ANTHONY READ en DAVID FISHER: Berlin. The Biography of a City

341 blz., geïll., Pimlico 1994, ƒ 34,-

Best Berlijn

Hoe komt het toch dat in je oosten zoveel huizen sinds de Tweede Wereldoorlog volkomen zijn verwaarloosd? De deuren hangen scheef, het stucwerk is afgebrokkeld, en de gietijzeren balkons zijn weggeroest. Ook in je westelijke deel verkeren niet alle negentiende-eeuwse huurkazernes met hun niet ter zake doende zuiltjes en timpaantjes in perfecte staat, maar ze lijken toch beter bewoonbaar dan hun oosterse tegenhangers. Sommige straten, vooral in Mitte en Prenzlauer Berg, zien eruit alsof ze sinds mei 1945, toen de kogels van het Rode Leger er doorheen raasden, niet meer zijn veranderd. De Husemanstrasse, die ene straat in Prenzlauer Berg die ter gelegenheid van je 750-jarig bestaan in 1987 wel perfect gerestaureerd werd, maakt het contrast alleen maar schrijnender.

Het verval gaf je als hoofdstad van de DDR wel iets romantisch, maar dat plezierde waarschijnlijk alleen de toeristen. Voor je inwoners moet dat anders zijn geweest, zeker als ze op en rondom de Alexanderplatz de dure pronkbouw zagen die de communistische overheid voor zichzelf liet oprichten. Een kwestie van geld alleen kan het dus niet geweest zijn. Misschien was het wel een bewuste keuze, ingegeven door de Russen, die de gewonde huizen beschouwden als een rauw monument voor hun overwinning op het Derde Rijk. Of bleven ze overeind om het contrast tussen kapitalisme en communisme te laten zien?

De auteurs die onlangs een boek aan je hebben gewijd, geven meestal geen verklaring voor dit verschijnsel, ook Anthony Read en David Fisher niet. En dat terwijl zij je biografie schreven. Read en Fisher, twee Engelse tv-journalisten die eerder boeken schreven over de Kristallnacht en de val van Berlijn, kozen voor de beschrijving: “But the fine restorations stood out like new teeth in a mouth full of decay. Between and around them the ugly gaps of bombed sites remained, flanked by buildings still bearing the scars of the war, their façades pockmarked and cratered by thousands of bullets, shells and shrapnell fragments.” Maar misschien noemden de schrijvers hun boek daarom wel een biografie - over het uiterlijk van een persoon valt immers veel te vertellen, maar het verklaren is onzinnig, evenals het schrijven van een brief aan een stad.

Gezellig

De hierboven geciteerde passage is een goed voorbeeld van de stijl van de twee schrijvers; zo vloeiend, zo gezellig, met op het juiste moment een anekdote, een metafoor of een sprekend detail, dat de lezer zich moeiteloos door acht eeuwen Berlijnse geschiedenis heenwerkt, van het ontstaan van de stad uit de twee nederzettingen Berlin en Cölln aan weerszijden van de Spree in de twaalfde tot de val van de Muur en de hereniging van Duitsland aan het eind van de twintigste eeuw. Zo vertellen ze bijvoorbeeld dat de Sovjets na de verovering van de stad in mei 1945 de tijd in Berlijn twee uur opschoven. De klokken moesten gelijk lopen met die in Moskou. Gelukkig wisten de Geallieerden deze beslissing al na een paar weken terug te draaien.

Berlin. The Biography of a City zou een ideaal boek zijn om tijdens een lange busrit door de stad te lezen; eigenlijk gelezen moet worden, want Berlijn is, anders dan Amsterdam of Parijs, een stad waarin het verleden niet gemakkelijk tot leven komt. Daarvoor is er, ondanks het behoud van de huurkazernes en Unter den Linden, te veel verdwenen; vernietigd in de oorlog of opgeblazen in de periode daarna, zowel in het oosten als in het westen. Er zullen niet veel steden zijn waarvan de toeristische gidsen beginnen met een opsomming van de gebouwen die er niet meer te zien zijn.

Nog belangrijker dan het uiterlijk van de stad vinden Read en Fisher haar inwoners, die zich van alle andere Duitsers onderscheiden door hun geestesgesteldheid: “The underdog's subversive sense of the fundamental ridiculousness of those above him.” De geschiedenis heeft weinig vat op de Berlijner, ook al woont hij in een stad die van een slaperig provinciestadje veranderde in Duitslands enige wereldstad, die korte tijd bovendien de machtigste stad van Europa was. Op de eerste bladzijde van het boek wordt de Berlijner al beschreven als een arme sloeber met als enige wapens zwarte humor en flink gemopper en acht eeuwen later is hij dat nog. Ook de grote toestroom van joden, hugenoten, Russen, Turken en vele andere emigranten, kon daar niets aan veranderen, integendeel, zij werden door de Berliner Luft zelf getransformeerd tot trotse Berlijners zonder blad voor de mond. Geen wonder dat Bismarck, Hitler noch Adenauer van Berlijn hield, menen de schrijvers.

De drie genoemde heersers waren geen Berlijners, maar in dit boek maakt geen enkele heerser of bestuurder aanspraak op die naam; hij is gereserveerd voor de naamloze bewoners van de stad, de arbeiders en winkeliers, de dienstmeisjes en de handelaren. Veel van de eigenschappen die deze Berlijners worden toegedicht, lijken overigens op de inwoners van elke grote stad van toepassing. Zou de gewoonte om nieuwe grote gebouwen een bijnaam te geven, bijvoorbeeld echt typisch Berlijns zijn?

Onderdrukking

Waarschijnlijk maken de auteurs zoveel werk van deze gewoonte, omdat het de enige manier is waarop ze hun hoofdpersonen bij de gebeurtenissen kunnen betrekken. Want de Berlijners die Read en Fisher Berlijners noemen, kunnen in de biografie, die hoofdzakelijk de bekende politieke geschiedenis behandelt (kunst en cultuur komen alleen aan bod als ze er niet om heen lijken te kunnen, zoals in de jaren twintig), bijna nooit als handelende burgers worden opgevoerd. De geschiedenis overkomt hun; het enige dat hun rest is vanaf de zijlijn hun eigen lotgevallen van sardonisch commentaar voorzien. De schrijvers verklaren deze houding uit het feit dat de Berlijners tussen 1442, het jaar dat de eerste Hohenzollern macht over de stad kreeg, en 1918, toen de laatste, keizer Willem II, moest aftreden, geen enkele vorm van democratisch bestuur hebben gekend. Na een onderbreking van de jaren van de republiek van Weimar begon de onderdrukking opnieuw; in Oost-Berlijn duurde ze voort tot 1989. Aan de revolutie van 1918 besteden de schrijvers relatief weinig aandacht.

Het voordeel van deze visie is dat de schrijvers de zwarte bladzijden uit de geschiedenis van de stad niet op het conto van haar sympathieke inwoners hoeven te schrijven: het Derde Rijk en de Tweede Wereldoorlog worden gebeurtenissen die de burgers ook maar overkwamen, zonder dat ze er zelf veel aan konden doen. Voor een deel hebben ze daar natuurlijk gelijk in, al schiet hun verklaring voor het enthousiasme van de Berlijners voor Hitler (ook al stemden ze in 1932 minder massaal voor hem dan de rest van de Duitsers, 28,6 tegen 37,4 procent) te kort. Maar het verslag dat zij van het Derde Rijk en de oorlog geven is wel fascinerend, juist omdat ze hun heil zoeken in vluchtige details die serieuzer schrijvers vaak laten liggen.

Lekkernijen

Read en Fisher verrichten weinig onderzoek, maar omdat ze de gebeurtenissen van binnenuit beschrijven, ontstaat toch een ander beeld dan het, zeker buiten Duitsland, gebruikelijke. De auteurs wijden bijvoorbeeld een pagina aan de ontvangst van de Duitse soldaten die in juni 1940 uit Frankrijk terugkwamen. De Berlijners waren uitzinnig van vreugde, maar niet omdat ze gewonnen houden. De burgers juichten omdat de soldaten gedemobiliseerd zouden worden. Bovendien brachten de soldaten uit veroverd West-Europa luxe-artikelen en lekkernijen mee: “Bourgeois families dined on smoked hams and foie gras, washed down with the best French champagne and vintage wines. For most people, is was a summer to remember.”

De enige politieke gebeurtenissen waarvoor Read en Fisher hun Berlijners zelf krediet geven, zijn de Berliner Unwillen van 1448 (een opstand tegen Friedrich von Hohenzollern) en de val van de Muur. “For once (...) the people of Berlin had spoken, and for once they were not to be denied”, schrijft het duo als conclusie van het spannend geschreven relaas over de laatste maanden van de DDR.

Het boek eindigt met een beschrijving van de nieuwbouw en de restauratie in het herenigde Berlijn - waarbij ze minder in het oog springende onderdelen als het telefoonnet en de riolering niet overslaan. Ook de moeilijkheden bij het opruimen van de 'Mauer im Kopf' worden aangestipt: zelfs in het soort honden dat ze houden blijken de West- en de Oostberlijners te verschillen; de wessi's hebben Rottweilers en Dobermanns, de ossi's tekkels en spaniels.

Volgens de schrijvers zal het nog decennia duren tot de stad werkelijk herenigd is. Maar erg lijken ze dat niet te vinden. “Berlin always had a mixture of poverty and prosperity, and as it happens they were generally divided between the east and the west, just as they are now.” Daarom kunnen de auteurs hun biografie met een spreekwoord eindigen dat in een geschiedenisboek niet, maar in deze lichte biografie wel op zijn plaats is: 'Berlin bleibt doch Berlin'.

    • Bianca Stigter