Thatcher zou haar opvolger nooit meer met rust laten; Major ging van crisis naar crisis

“Het is tijd voor een nieuw hoofdstuk”, zei de Britse premier Thatcher na haar val in december 1990 tegen haar opvolger. Ze wenste John Major “al het geluk van de wereld”. Maar ze zou hem nooit meer met rust laten.

Hou vol, don't wobble, adviseerde Margaret Thatcher hem als hij zijn zoveelste leiderschapscrisis doormaakte. Tegelijkertijd liet zij waar zij maar kon fijntjes doorschemeren dat haar opvolger de kwaliteiten ontbeert die haar tot zo'n groot premier hadden gemaakt. De 'aardige' Major kwam als gematigd leider onder vuur te staan van Thatchers vrienden - de Eurosceptici op rechts - en van haar vijanden - de voorstanders van meer Europese integratie op links.

In april 1992 ging het nog goed met Major. Hij hielp zijn Conservatieve partij, tegen alle verwachtingen in, aan een verkiezingsoverwinning. Vijf maanden later volgde de eerste grote tegenslag: de koers van het Britse pond moest worden losgelaten en de munt verdween uit het Europese wisselkoerssysteem (EMS), terwijl Major zes dagen daarvoor nog een devaluatie van het pond als “verraad” had bestempeld. Na zijn succesvolle onderhandelingen over een uitzondering, voor Groot-Brittannië, op de sociale paragraaf en op het punt van de Europese munt in het Verdrag van Maastricht, eind 1991, begon een hard gevecht om dit verdrag over de Europese Unie geratificeerd te krijgen in het Lagerhuis. Major won in juli 1993 uiteindelijk, met een meerderheid van veertig stemmen, dankzij een pact met de Ierse Unionisten. Het gezwel is doorgesneden, zei hij. Maar de Euro-sceptici in het parlement waren zich nog maar aan het warmlopen.

In maart 1993 stelde Major zich voor het eerst wat brutaler op tegenover Thatcher. Tegen The Independent zei hij dat haar economische beleid niet deugde. Het uitblijven van economisch herstel was te wijten aan haar industriële beleid, waartegen hij wegens zijn “minderheidsstandpunt” niks had kunnen doen. “Nu ben ik beter geplaatst om mijn mening naar voren te brengen”, aldus Major.

Twee maanden later werd zijn zelfvertrouwen alweer gelogenstraft. De Conservatieve partij behaalde bij lokale verkiezingen de slechtste resultaten in twintig jaar. Krap een maand later besloot Major zijn meest impopulaire minister, Norman Lamont van financiën, te ontslaan. Lamont had te snel en te zelfgenoegzaam voorspeld dat de economische recessie in Groot-Brittannië ten einde liep. Het ontslag keerde zich ondanks Lamonts impopulariteit tegen de premier, die van een medestander de zoveelste vijand had gemaakt. Die verweet hem “wel in functie maar niet aan de macht” te zijn en vond dat de partij en het land beter af zouden zijn zonder Major. De aanvallen werden zo hevig dat Major voortdurend werd gedwongen tegen te spreken dat hij zou aftreden.

Drie categorieën bedacht Major voor zijn belagers: devils, nutters en bastards. De duivels waren oud-bewindslieden die in de marge en terend op oude glorie steeds weer aanvalletjes ondernamen, de gekken waren onbetekenende belagers die steeds opnieuw zijn vertrek aankondigden en de schoften waren de gevaarlijke Conservatieven met macht in het kabinet.

Thatcher was moeilijk te rangschikken, maar daarom niet minder gevaarlijk. In oktober 1993 lekten passages uit haar memoires uit, waarin zij haar opvolger beschrijft als een intellectueel lichtgewicht die de “neiging had zich uit het veld te laten slaan door platitudes, wat ik nogal verontrustend vind” en die als minister van financiën al niet tegen zijn taak was opgewassen. Op het partijcongres in Blackpool in oktober kreeg Majors meest sneaky belager vlak na het uitlekken van die passages een staande ovatie van vijfduizend Conservatieven.

Tijdens hetzelfde Congres probeerde Major de eenheid in de partij te herstellen met een oproep terug te keren naar de familiewaarden en de normen van weleer: het gezin als hoeksteen van de samenleving en orde en gezag als norm. Het kwam hem duur te staan, zeker toen het land kort daarna werd overspoeld met onthullingen over seksuele en morele uitspattingen van partijgenoten. Major werd door de schandalen genoodzaakt de 'back to basics'-campagne te beëindigen. Maar op zijn slechtste momenten kreeg hij weer een steuntje in de rug van Thatcher. Aan de vooravond van de publikatie van haar memoires zei ze voor de Britse televisie dat het de goede kant op gaat met Major en dat de belagers hem met rust moeten laten. Zal Major ooit een grote premier worden? werd de ex-premier gevraagd. “Geef hem een beetje meer tijd”, was haar antwoord.

Het ging niettemin steeds slechter met Major, kranten kondigden wekelijks aan dat zijn vertrek aanstaande was. 'In godsnaam: Ga!', was het motto, zelfs in de Tory-getrouwe pers. In januari 1994 moest Major voor een tribunaal verschijnen wegens zijn rol als staatssecretaris in illegale wapenleveranties aan Irak. In opiniepeilingen daalden de Conservatieven naar nieuwe diepten.

Major gaf niet op. Hij toonde in februari de Thatcheristen, die om meer rechtse ministers vragen, wie de baas is: twee minuten nadat ze hun wensenlijstje waren begonnen voor te lezen zei Major “genoeg” en werden ze buiten de deur gezet “zonder zelfs maar een kop thee”. Maar een maand later kwam hij opnieuw onder vuur te liggen, nu van de Euro-sceptici, nadat hij in Brussel had toegestemd in wijziging van de stemverhoudingen. Dat kwam volgens de Europa-haters neer op machtsverlies voor Groot-Brittannië in de EU.

De leiderschapscrisis sleepde zich voort na nieuwe hopeloze resultaten voor de Conservatieven bij de gemeenteraadsverkiezingen in mei. Na grove opmerkingen van de vice-voorzitter van de partij, Patrick Nichols, aan het adres van Duitsland, Frankrijk en Europa - “Ik wou dat ik geen deel uitmaakte van de Gemeenschap” - moest deze ontslag nemen. In november 1994 overleefde Major weer een stemming over Europa, dit keer over verhoging van de Britse bijdrage aan de EU. Major had op scherp gespeeld: als de verhoging in het Lagerhuis niet zou worden gesteund, zou hij aftreden. De acht Conservatieven die toch tegen stemden, werden door Major met ferme hand uit de partij gezet. In december waarschuwde hij dat de onenigheid over Europa de partij kan vernietigen en riep hij voor de zoveelste keer op tot het sluiten van de rijen. In januari kreeg Major van de vroegere minister van buitenlandse zaken en vijand van Thatcher, Geoffrey Howe, te horen dat hij een “gijzelaar” is van de Euro-sceptici en dat dit ten koste gaat van een goed Europees beleid.

In maart behaalde Major zowaar weer een kleine overwinning: met een krappe meerderheid werd een motie van de andere grote uitdager, Labour-leider Tony Blair, verworpen, waarin stond dat het Europese beleid van Major niet werd gesteund in het Lagerhuis.

Maar in mei zat het tij weer tegen: de resultaten van de Conservatieven bij de lokale verkiezingen overtroffen de meest zwartgallige prognoses. Meer dan tweeduizend Conservatieve raadsleden verloren hun baan. Eerder hadden de Conservatieven bij verkiezingen in Schotland ook al dramatisch verloren. Major zette weer een stoer gezicht, geheel volgens Thatchers motto 'don't wobble'. Maar de wonden waren nog niet gelikt of hij werd door diezelfde raadgeefster weer aangevallen. Het tweede deel van haar memoires verscheen en volgens de Sunday Times kon daaruit worden geconcludeerd dat Major vastberadenheid mist, problemen uit de weg gaat en met een rampzalig Europees beleid de partij verdeelt. De zondagskrant stelde vast dat Thatcher op de val van Major uit was. Thatcher was woedend, want de pers 'verdraaide haar woorden'. De kritiek op Majors regering was juist weergegeven, zegt ze. Maar hoe komt men erbij dat ze uit is op zijn val?