Swingen met Cubaanse dansmariekes in hotpants

Concerten: World Roots Festival met het Cubaanse orkest Son Damas, het kwartet van Fernando Lameirinhas en de Colombiaanse zangeres Toto la Momposina y sus Tambores. Gehoord: 22/6 Melkweg, Amsterdam. Het Roots Festival wordt vanavond vervolgd met muziek uit o.a. India, Centraal Afrika en Madagaskar en gaat door t/m 25/6.

Dat je met mooie benen soms een flink eind kan komen bleek gisteren in de Melkweg waar de beweeglijke 'mariekes' van het Cubaanse orkest Son Damas een uur lang zorgden voor lieve lust. De meest opwindende Cubaanse muziek werd echter twee uur later gemaakt door de besnorde 'Tambores' uit Colombia geleid door de explosieve zangeres Toto la Momposina, de tienerjaren ver achter zich. Dat in Cuba de teugel wat losser mag met het oog op de broodnodige deviezen stelt het land voor problemen, want hoe doe je dat ook weer: dollartoeristen amuseren? Men vond een bandboek uit de tijd dat dictator Batista er nog de baas was, plukte elf arme meisjes met miss Cuba-ambities bij elkaar en voilá, daar was een orkest, goed genoeg om de bezoekers van 'Cabaret Tropicana' te tracteren, zo niet via hun oren, dan toch minstens visueel. Zo moet het ongeveer gegaan zijn en de in zwarte hotpants en witte rijglaarsjes gestoken meisjes van Son Damas doen hun best, waarschijnlijk onbewust van het feit dat de door hen gespeelde nachtclubmuziek vroeger slechts als intermezzo diende tussen de wufte striptease-acts waar het nachtelijke Havana van 1955 zo gewild om was.

Aan de intermezzo-muziek van de in het Portugees zingende Fernando Lameirinhas en zijn kwartet is niets mis, tenzij men vast van plan is totaal 'uit zijn dak te gaan'. Van melancholieke latijnse luisterliedjes tot soepele soft swing, het sluit allemaal als een bus.

De met hoeden en halsdoeken gesierde 'Tambores' uit Colombia beginnen als pure slagwerkgroep waardoor de stem van Toto la Momposina extra opvalt: stevig en heel doordringend. Maar na een half uur verandert het beeld en blijken de musici nog veel meer te kunnen. De ene slagwerker speelt plotseling bas, een andere voortreffelijk trompet. De sfeer op het podium wordt losser en de ene na de andere Zuidamerikaanse stijl passeert de revue, de ene nog overtuigender dan de andere. De son en de rhumba uit Cuba, de forro uit Brazilië en de chalupa uit..., ach wat maakt het uit waar die vandaan komt? De kleine Toto zingt zonder opsmuk recht naar de ziel, leidt haar orkest zonder bombarie, en demonstreert en passant dat jeugdseks wellicht iets met krapgesneden broekjes heeft, maar volwassen erotiek best een jurk tot op de blote voeten verdraagt.