Strijd om fatwa woedt niet alleen buiten Iran

Meer dan zes jaar geleden - op 14 februari 1988 - vaardigde imam Khomeiny, de geestelijke én wereldlijke leider van Iran, een fatwa uit, een juridisch decreet. Daarin werd “het trotse moslim-volk in de wereld” ervan in kennis gesteld dat de Britse schrijver Salman Rushdie geëxecuteerd moest worden. Volgens imam Khomeiny had Rushdie met zijn boek De Duivelsverzen de islam, de Profeet Mohamed en de Koran aangevallen. Het doodvonnis gold tevens alle helpers van Rushdie, dat wil zeggen de uitgevers en de vertalers van zijn boek. Inderdaad werd een aantal van hen in de loop der jaren vermoord.

De imam beloofde de uitvoerders van het vonnis een snelle gang naar het hemelse paradijs, als zij tijdens of na de executie het leven zouden laten. Andere hoge Iraanse geestelijken lieten het daar niet bij. Zij loofden vorstelijke beloningen uit aan de aspirant-moordenaar, voor het geval deze na de voltrekking van het vonnis in leven zou blijven. Zo verklaarde ayatollah Hassan Saneï, leider van de Stichting van de 15e Khordad, dat als de uitvoerder van het vonnis een buitenlander was, hij één miljoen dollar zou ontvangen, terwijl een Iraniër op ongeveer 2,6 miljoen dollar zou mogen rekenen, waarop ayatollah Mohamad Hashemian uit de stad Kerman er nog eens 2,6 miljoen dollar bovenop legde.

Khomeiny's fatwa leidde tot grote ontsteltenis in het Westen. Hier had een buitenlandse overheid zonder enige vorm van proces een doodvonnis uitgesproken over een Westers staatsburger, levend in een Westers land, wegens een roman. Zó groot was de opwinding dat de toenmalige Iraanse president Ali Khamenei de schade probeerde te beperken. Tijdens het vrijdaggebed, drie dagen na de fatwa, maakte hij bekend dat de imam wellicht Salman Rushdie vergiffenis zou schenken, als deze openlijk berouw toonde.

Maar Khomeiny tikte zijn president, zonder hem met één woord te noemen, onnavolgbaar op de vingers. Twee dagen na Khamenei's publieke uitspraak gaf de imam een verklaring uit: “De imperialistische buitenlandse massamedia beweren ten onrechte dat functionarissen van de Islamitische Republiek gezegd zouden hebben dat als de schrijver van de Duivelsverzen berouw toont het doodvonnis tegen hem zou worden ingetrokken. Dit wordt voor de volle honderd procent ontkend. Zelfs als Salman Rushdie berouw toont en de vroomste man aller tijden wordt, is het nog steeds een verplichting voor iedere moslim om alles wat hij heeft aan leven en rijkdom aan te wenden, teneinde hem (Rushdie) naar de hel te zenden.”

De fatwa en de manier waarop imam Khomeiny zijn president in zijn hemd zette, waren uit nood geboren. De door Khomeiny geproclameerde Islamitische Revolutie had kort tevoren ernstige nederlagen moeten incasseren. Gedwongen door de Iraakse gifgas-aanvallen en de vijandige houding van het Westen had hij zijn fiat moeten geven aan een staakt-het-vuren tegen het Irak van Saddam Hussein, terwijl hij jaar in jaar uit beloofd had de oorlog tegen die Kleine Satan tot aan de Goddelijke Overwinning te zullen doorzetten. En hij had de niet erg godsvruchtige Benazir Bhutto - nota bene een vrouw - moeten zien aantreden als premier van Pakistan, één van de grootste islamitische landen ter wereld. Voor Khomeiny was de aanval op Salman Rushdie en diens aanhangers dan ook een door God gegeven mogelijkheid om te bewijzen dat de Islamitische Revolutie springlevend was en de zwaar beschadigde Islamitische Republiek Iran nog steeds een leidinggevende factor in de moslim-wereld.

Vele Iraniërs hadden echter bedenkingen over de fatwa. Natuurlijk kon hij die boven de wet stond, op geen enkele wijze worden gekritiseerd. Het was dan ook geen toeval dat Iraanse kranten schande spraken over de beloningen die de geestelijkheid had uitgeloofd. Het blad Etelaat schreef: “Het betalen van iemand om een ander te doden is het stellen van een premie op een moord en geen religieus geïnspireerde daad.” De Engels-talige Tehran Times was niet minder duidelijk: “Zij die een beloning uitloven voor het doden van Rushdie, halen de godsdienst naar beneden om redenen van binnenlands politiek opportunisme.”

Die openhartige kritiek liet zien dat de Rushdie-affaire niet een puur-religieuze kwestie was, maar ook, en misschien vooral, een binnenlands-politieke strijd tussen hen die de Islamitische Revolutie als hoogste prioriteit zien, en hun pragmatische tegenstanders die Iran, desnoods ten koste van enige principes, willen opbouwen.

Deze strijd, die tevens een strijd om de macht is, gaat nog steeds door, met als enige wijziging dat de spelers af en toe van mening veranderen. Zo had Ali Khamenei, die na Khomeiny's dood tot ayatollah en diens opvolger werd verheven, in 1988, als president van de republiek, nog gesuggereerd dat de fatwa verzacht kon worden. Maar als Gids van de Natie herhaalde hij in februari van dit jaar, ter gelegenheid van het zesjarig bestaan van de fatwa, “dat Salman Rushdie geëxecuteerd moet en zal worden”.

Hij deed dat om politieke redenen. Zijn pogingen om als Groot-Ayatollah en als de hoogste religieuze leider van alle shi'ieten in de wereld erkend te worden, waren eind vorig jaar mislukt, omdat de geestelijkheid hem niet als zodanig wilde accepteren. En dus kon hij geen afstand nemen tot Khomeiny's fatwa, hoewel volgens de shi'itische leer een fatwa haar rechtskracht verliest als de marjae (de opperste rechtsgeleerde) die hem heeft uitgesproken, sterft.

Zoals Khamenei onvoldoende religieus gewicht heeft om officieel afscheid te nemen van Khomeiny's in principe niet meer geldige fatwa, kan geen enkele Iraanse regering, die trouw zegt te zijn aan de revolutionaire beginselen van Khomeiny, het zich politiek veroorloven diens fatwa ongedaan maken.

Dat verklaart waarom Rafsanjani en zijn medestanders zich de afgelopen twee jaar in de vreemdste bochten wrongen om de buitenwereld ervan te overtuigen dat de fatwa weliswaar nog steeds onverminderd van kracht is, en ook nooit kan worden ingetrokken, maar niettemin voor de Iraanse regering geen enkel praktisch gevolg heeft. Want, zo betogen zij, politiek en godsdienst zijn in de Islamitische Republiek Iran twee aparte zaken, een bewering die haaks staat op de Iraanse grondwet en de praktijk, die juist van het tegendeel uitgaan: dat de politiek in al haar facetten door de religieuze leiders gedicteerd wordt.

Daarom wordt de strijd om de geldigheid van de fatwa ook binnen de geestelijkheid gevoerd. Zo zei vorig jaar juni de invloedrijke ayatollah Ali Akhbar Meshkini tijdens het vrijddaggebed, dat door de televisie werd uitgezonden: “Zelfs als een marjae (dat wil zeggen imam Khomeiny) een fatwa en hij (ayatollah Khameneï) een beslissing uitvaardigt, dan zal de laaatste van meer gewicht zijn dan de eerste.” Meshkini is lid van de machtige Raad van Deskundigen, een orgaan van 82 hoge geestelijken die tot taak hebben Irans Gids van de Natie te benoemen.

Maar ayatollah Hassan Saneï, ook bepaald geen kleine jongen, zei een paar maanden geleden dat “als de islam wordt aangevallen, de schuldige in overeenstemming met de shari'a (de islamitische wet) gestraft moet worden, onafhankelijk van het plaatselijke wetssysteem”. Daarmee ontkrachtte hij Rafsanjani's stelling dat Iran wel degelijk de moslims aanbeveelt om het rechtssysteem van de niet-islamitische landen waar zij wonen, te respecteren. Toen de Europese Unie op 19 april drie garanties vroeg aan Iran als inleiding voor 'normalisatie van de betrekkingen' liet Saneï weten dat zulks alleen “de uitvoering van het vonnis zou verhaasten”. Het verst in omgekeerde richting ging tot dusver ayatollah Mohamad Yazdi, hoofd van de rechterlijke macht. Hij liet op 23 mei weten: “De fatwa tegen Rushdie is een onafhankelijk juridisch standpunt, dat los staat van het Iraanse rechtssysteem.”

Waarop de voorzitter van het parlement, Ali Akhbar Nateq-Nuri, onmiddellijk tegenover journalisten zei dat alleen Rushdie's dood de problemen tussen Iran en het Westen kan oplosen. “Als hij eigener beweging sterft, zal het probleem zijn opgelost (...) De fatwa kan niet worden herroepen, maar wij zullen geen commando's sturen om Salman Rushdie te doden. Dat is een zaak voor de moslims.”

Nateq-Nuri staat bekend om zijn anti-Westerse instelling. Maar zijn opmerkingen geven in wezen ook het standpunt weer van Rafsanjani. Niet voor niets wordt Nateq-Nuri genoemd als één van de meest kansrijke kandidaten bij de presidentsverkiezingen van 1997, als de niet herkiesbare Rafsanjani aftreedt.