'Omgekeerde Midas' wekt nostalgie naar Thatcher

LONDEN, 23 JUNI. November 1990. John Major, de man die een week eerder nog in alle kranten is afgebeeld achter een bord vette worst, bacon en eieren in een even vet cafetaria, heeft zojuist bezit genomen van 10 Downing Street. In de vergaderzaal wacht het kabinet, op dit moment nog grotendeels bestaand uit de erfenis van Margaret Thatcher. De kersverse premier kijkt de tafel rond en zijn eerste woorden als leider zijn: “Wie had dat ooit kunnen vermoeden”.

De theorie wil dat dergelijke uitingen van relativiteitszin juist aan vrouwen eigen zijn - reden waarom ze niet doorstoten tot de hoogste posten - maar bij de ijzeren dame zou zo'n uitdrukking nooit over de lippen zijn gekomen. Toen over Majors opmerking werd gerapporteerd, gebeurde dat dan ook om het contrast met Thatcher nog eens extra te onderstrepen. Niet alleen was hij - na elf jaar bewind van een politieke Kenau - een man, hij was ook nog een áárdige man.

De Britten waren gewend aan “Nee, nee, nee” en “This Lady is not for turning”. Nu werden ze geconfronteerd met iemand die sprak over “collegiaal besluiten”. Iemand die verlegen en stijf van de zenuwen in het verkeerde pak, met de verkeerde bril en het verkeerde kapsel probeerde zich te ontdoen van het stempel dat hij 'Mrs Thatchers beschermeling' was. Iemand die in een nylon overhemd de Britse troepen in de Golf bezocht en toch het Falkland-triomfalisme wist te mijden. Iemand die in zijn toespraken elke zin leek te beëindigen met “very remarkable indeed” en iemand die in het Lagerhuis geen gebruik maakte van de ijskoude minachting voor de Leider van de Oppositie, maar die hoffelijk op de vragen van zijn 'schaduw' bij Labour inging.

De pers doopte hem al gauw saai en noemde hem “Mister Grey” - maar zou het iedere opvolger, Michael Heseltine uitgezonderd, niet moeilijk gemaakt zijn zich te profileren na het geweld van de dame in het Tory-blauw mèt de handtas?

De succesvolle uitkomst van de Golfoorlog èn de manier waarop de premier als “één van ons” in de verkiezingscampagne op een eigen zeepkist ging staan, om uit te leggen dat de economische recessie nu echt achter de rug was, maakten dat de Conservatieven tóch in 1992 weer de verkiezingen wonnen - voor de vierde achtereenvolgende keer en tegen alle verwachtingen en het stemadvies van de Financial Times in.

Nu pas kwam de zoon van de trapeze-artiest uit Brixton als politicus tot volle wasdom, op eigen kracht winnaar van een omvangrijker mandaat (42 procent) dan zijn voorgangster ooit had verworven. Een nieuwe John Major, met een nieuwe bril, betere pakken en een nieuw kapsel stond op, bevrijd van die beklemmende “bestuurster op de achterbank”.

De euforie duurde tot september. De noodgedwongen terugtrekking van het Britse pond uit het Europees Monetair Stelsel (EMS), een feitelijke devaluatie van 20 procent, zette ook het begin van de ontwaarding van Thatchers wonderkind in. Pro- en anti-Europeanen in de Conservatieve Partij rollen sinds die tijd met steeds grotere hevigheid over elkaar heen. De anti's, steeds nostalgischer lonkend naar het Thatcher-tijdperk, achtten John Major - in de rest van Europa als skepticus gezien - teleurstellend gematigd op het punt van verdergaande Europese integratie. De pro-Europeanen vonden hem niet Europees genoeg. In hun toenemende straatruzie kon John Major het machtswoord niet spreken, zoals Zij dat in het verleden heeft gedaan. Hij moet beide vleugels te vriend houden, omdat hij met zijn kleine meerderheid in het parlement geen stem mag verspelen. Met die situatie heeft Zij nooit hoeven kampen.

Er wordt van John Major gezegd dat hij een omgekeerde Midas is: alles wat hij de laatste jaren aanraakt lijkt in as te veranderen. Zijn partij loopt hem uit de hand, zijn fatsoenskruistocht gaat in financieel en seksueel wangedrag van partijprominenten ten onder en de beloofde economische opleving bereikt het niveau van de kiezer maar niet. Veertig procent liggen de Tories in de peilingen achter bij Labour en alle tussentijdse verkiezingen tot de grote peiling van 1997 verliezen ze. De paniek in de gelederen is niet langer beperkt tot linker- of rechtervleugel: iederéén onder de Conservatieve Lagerhuisleden met een enigszins marginale zetel ziet zijn broodwinning nu al verdwijnen. En John Major krijgt de schuld.

De whimp uit het begin heeft de laatste jaren, met de nieuwe bril, een nieuwe hardheid ontwikkeld. De laatste maanden was in zijn gedrag zelfs een zekere roekeloosheid te bespeuren. Anders dan premier Thatcher destijds háár rancuneuze voorganger Edward Heath kon negeren, wordt Major die keus niet gelaten. Zelfs binnen zijn eigen kabinet wordt door de bastards meer naar Haar, dan naar hem geluisterd. Meneer Grijs heeft van het voortdurende gezaag aan zijn stoelpoten opeens genoeg gekregen. En in plaats van zich, in arrogante argeloosheid, te laten wegsturen zoals Margaret Thatcher met zich liet gebeuren, heeft hij de hamer uit de gereedschapstas gehaald en daarmee zijn tegenstanders de eerste klap op de kop gegeven. Het is, zegt hij, “put up or shut up”, 'slikken of stikken' - en dat is Major-speak voor “Nee! Nee! Nee!”.