Met stomheid geslagen

Hoe welluidend klinkt het Nederlands niet uit de mond van Ineke Holzhaus! Over het algemeen zijn voordrachtkunstenaars een onverdraaglijke soort, dweperig, geëxalteerd, in het ergste geval een levend bewijs dat het woord hysterie van het Grieks voor 'baarmoeder' is afgeleid... Zo niet Ineke Holzhaus (noch Leen Vermeiren, haar Vlaamse collega op Poetry International in Rotterdam). Precies, sober, koel en 'vol gevoel' tegelijk, warm en zakelijk ineen, hoe moet ik het zeggen. Een mes dat een alfabet uit de wolken snijdt.

Woensdagavond las Ronny Someck uit Israel op Poetry voor. Ik vroeg me af hoe een Hebreeuwse dichter een literaire traditie van drieduizend jaar in zijn verzen moest laten doorklinken, die stroom van beelden, de stemmen van zoveel monstres sacrés, van Ezechiël tot Yehuda Amichai - om nog maar te zwijgen van de hel der geschiedenis. Someck antwoordde op die vraag met een serie bitter-geestige gedichten, waarvan het scherpste meer staal dan taal was, een mes, een blikkerend wapen, waaraan hij 'de zoons van Dr. Mengele' reeg, die 'ergens tussen München en Stuttgart' tractors verkochten.

Ineke Holzhaus las dus de vertalingen voor en in die functie bracht ze de vrolijkste verspreking van de week op haar naam: ze kondigde namelijk het gedicht Piratenliefdeslied als 'Piratenliefdesdaad' aan. Dat was een onverwachte bevestiging van mijn mening dat poëzie in essentie één lange Freudiaanse verspreking is. De Weense kwakzalver, de genius van dit 'Festival van de Menselijke Stem', zweefde grijnslachend boven het podium.

De menselijke stem... Na Someck was het de beurt aan Tomas Tranströmer, het geheiligde monster van de Zweedse dichtkunst, voor wie ik eigenlijk gekomen was. Hans van den Waarsenburg leidde hem in en besloot zijn introductie met deze woorden: “En dan had ik nu moeten zeggen, dames en heren, Tomas Tranströmer... Maar Tranströmer is enige jaren geleden getroffen door een hersenbloeding, die hem half verlamd en van zijn spraakvermogen beroofd heeft. Hij is echter wel aanwezig... eer.. genoegen... in zijn plaats...”

Kortom, Tranströmer zelf zat op de voorste rij en luisterde samen met ons naar zijn landgenoot Thomas Tidholm en zijn Nederlandse vertaler J. Bernlef. Zweeds geniet de reputatie het Italiaans onder de Scandinavische talen te zijn, een van die chique opinies die nooit kloppen, in dit geval niet omdat Zweeds in fonetische zin alle Romaanse talen overtreft, minder pathetisch is, maar zangerig op het wiebelige af. Tidholm, temerig in zijn voordracht, labialen beklemtonend, klinkers de zaal in rollend, wekte de indruk een sombere uiteenzetting over het Zweedse maatschappijmodel te houden, maar dan boven een wieg met een slapeloos kind. Bernlef, daarentegen, las droog, bijna knisperend voor: als ik mijn ogen sloot, zag ik als het ware zijn borstelige kapsel:

Zij knippen de lamp uit en de witte kap glinstert een ogenblik voordat hij oplost als een tablet in een glas duisternis. En dan opstijgt. De hotelmuren rijzen het hemelduister tegemoet. Toen het voorbij was, stond Tranströmer op, stak de hand van zijn ene nog naar behoren functionerende lichaamshelft uit, de linker, drukte de beide handen van Bernlef, omhelsde hem toen, zwijgend, de zwijgende getuige van zijn eigen verzen, van zijn eigen stem. En ik keek, hoog in de Kleine Zaal van de Doelen gezeten, op de kale schedel van die grote dichter neer. Maar eigenlijk wist ik op dat moment niet goed waar ik kijken moest.

Later betrad ik de lift in Hotel Central. Er stonden, leunden, hingen twee aangeschoten Engelsen in; een derde, vlezig exemplaar zat op de grond. Ze richtten zich onmiddellijk tot mij, maar in dermate onsamenhangend proza dat ik besloot te zwijgen. We bereikten de eerste verdieping, de tweede.. Who the fffuck are you? Ik zweeg nogmaals. Op de derde verdieping stapte ik over een been van de dikke naar de deur. Hij stak een worstje in de lucht en concludeerde moeilijk: “He's Fffrench.”