Liberalen weten nog niet waar paternalisme begint

Ook een liberaal politicus dient te moraliseren, schreven K. Groenveld en G.A. van der List, beiden van het wetenschappelijk instituut van de VVD, onlangs in deze krant.

Komt de VVD nu in het vaarwater van D66 en CDA? J.F. Glastra van Loon (D66) verwijt de VVD'ers geen oog te hebben voor de achtergronden van sociale problemen.

C.J. Klop (CDA) ziet in het pleidooi van Groenveld en Van der List een liberale koerswending in christen-democratische richting.

Schuift de VVD op in de richting van het CDA? Die vraag dringt zich op na lezing van de titel van het artikel 'Ook een liberaal politicus dient te moraliseren'. Moralisme en paternalisme zijn immers de gebruikelijke verwijten van de VVD aan het CDA. Ik meen dat het antwoord bevestigend is, maar dat men er geen coalitie-strategie achter moet zoeken. De Teldersstichting heeft zich verdiept in de betekenis van normen en waarden voor de politiek, de staat en de markt en dat leidt tot een realistischer kijk op de vermeende neutraliteit van de overheid. De gebruikelijke liberale opvatting dat de overheid niets met normen en waarden van doen heeft, omdat visies op het goede leven geheel moeten worden overgelaten aan de individuen, wordt terecht verlaten. Dat is een trendbreuk in de opstelling van de Nederlandse liberalen in de afgelopen decennia, die onvermijdelijk was geworden omdat zij op een te simpele aanname was gebaseerd.

Met hun erkenning dat de staat een ethos behoeft om te kunnen functioneren, sluiten de auteurs zich aan bij een standpunt dat christen-democraten al langer huldigden. Tegelijk blijven er nog dusdanige verschillen dat van een eventuele versmelting van beide politieke stromingen geen sprake is. Die verschillen hebben enerzijds betrekking op de waarden en normen die worden voorgestaan en anderzijds op de wijze waarop deze beschermd dienen te worden.

Het inhoudelijke verschil is duidelijk: een publieke moraal waarin 'eigen verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid, fatsoen en respect voor de regels' centraal staan, is iets anders dan een publieke moraal gebaseerd op 'gerechtigheid, solidariteit, rentmeesterschap en gespreide verantwoordelijkheid', de christen-democratische kernbegrippen.

Het tweede blijvende verschil tussen liberalisme en christen-democratie, de wijze waarop de waarden en normen in kwestie moeten worden geïmplementeerd, roept enkele vragen op. Groenveld en Van der List spreken overwegend van liberalen die het recht en de plicht hebben om burgers te wijzen op de waarden van verdraagzaamheid en verantwoordelijkheidsgevoel. Terecht voegen zij daaraan toe dat het morele appèl van de politicus pas geloofwaardig wordt als op zijn eigen gedrag weinig valt aan te merken. Eén enkele keer zeggen zij echter ook: “De liberale staat (cursivering van mij, CJK) moet niet 'neutraal' zijn, maar dient te wijzen op het belang van waarden als zelfredzaamheid en verantwoordelijkheid zonder te vervallen in een bevoogdende heilsleer die mensen vertelt hoe ze gelukkig moeten worden.” Ik kan uit deze zin geen andere conclusie trekken dan dat de auteurs niet alleen partij-politici bevoegd achten tot moraliseren, maar ook de overheid zelf. Dus ook ministers, ambtenaren en rechters. Dat is een belangrijke constatering. Die constatering krijgt extra reliëf als men op het standpunt staat dat wat men als liberalen aan moraliserende bevoegdheid voor zichzelf claimt, aan anderen niet ontzegd kan worden. Als het een liberale staat geoorloofd is te moraliseren, dan kan men dat recht aan bijvoorbeeld een christen-democratische of sociaal-democratische overheid niet ontzeggen, zolang deze niet vervalt in 'een bevoogdende heilsleer'. Het zou de beide auteurs sieren om dit laatste punt te verhelderen. Wanneer begint bevoogding? Mij dunkt, zodra de vrijheden van geweten, godsdienst, meningsuiting en vereniging en vergadering worden aangetast. Maar zover willen zelfs de kleine christelijke partijen in Nederland niet gaan. Betekent dit dat Groenveld en Van der List zouden bewilligen in een moraliserende protestantse staat, mocht het langs democratische weg ooit zover komen?

Onbeantwoord blijft ook de vraag op welke wijze de overheid moraal mag vertalen in wet- en regelgeving. De beide auteurs wijzen er terecht op dat het tot cynisme leidt als burgers partijen die verantwoordelijk zijn geweest voor een enorme groei van de staatsschuld en het financieringstekort, de waarden van zuinigheid en spaarzin horen verdedigen. Maar betekent dit dat Groenveld en Van der List van mening zijn dat deze waarden hun neerslag hadden behoren te krijgen in het beleid van de minister van financiën? Dat zou betekenen dat zij niet alleen vinden dat politici bevoegd zijn te moraliseren, maar dat dezen hun moraal zelfs met dwingende regelgeving aan de bevolking mogen opleggen. Ik ben het met dat standpunt eens, maar kan men dan nog volhouden dat men paternalisme vermijdt? Me dunkt van niet. Is bijvoorbeeld een minister van binnenlandse zaken niet gewoon paternalistisch bezig als hij de politieke partijen verplicht om sponsoring door het bedrijfsleven openbaar te maken omdat hij integriteit wil afdwingen? Dat ieder het over deze waarde eens is en dat de minister voorlopig het middel van het convenant heeft gekozen, doet aan de constatering niet af.

Het voorbeeld is met talloze andere aan te vullen. Of het nu gaat om de waarden solidariteit en sociale rechtvaardigheid in de sociale verzekeringswetten, of de óók bijbelse norm “Uw ja, zei uw ja” in het verbintenissenrecht, of de norm van onderlinge trouw in het huwelijksrecht, steeds gaat het om een juridische positivering van normen en waarden, die in beginsel dwingend wordt opgelegd. Soms ook vermindert de overheid de betekenis van bepaalde normen en waarden. De gespreide verantwoordelijkheid in het maatschappelijk middenveld wordt door het paarse kabinet onder leiding van de liberalen voortvarend afgebroken en vervangen door het do ut des ('ik geef opdat gij geeft') van de markt. De norm van de zondagsrust is door de VVD-fractie in de Arbeidstijdenwet effectief om zeep geholpen. Het woordje 'gezin' mag van de Teldersstichting in het overheidsvocabulaire niet meer voorkomen. Kortom: de overheid doet niet anders dan normen en waarden in wetgeving neerleggen èn verwijderen.

Groenveld en Van der List lijken dit te beseffen als zij zeggen dat 'het doel van de liberale politiek in de komende decennia moet zijn de vervelende (neven)effecten van de individualisering te beperken door te werken aan de tot standkoming van een tot verantwoordelijk gedrag motiverende publieke moraal en maatschappijvorm' (curs. CJK). Helder zijn zij daarover echter niet. Onder het motto dat zij willen koersen tussen vrijblijvendheid en paternalisme, wordt een effectieve afbraak van de christen-democratische publieke moraal en maatschappijvorm dwingend doorgevoerd. De sociaal-democratie, die daaraan haar medewerking verleent, spreke voor zichzelf.

De staat hoeft zich van de christen-democratie niet in te spannen om individuen samen te brengen, zoals Groenveld en Van der List wat demagogisch stellen. Wel verwacht zij van de overheid dat deze in haar eigen rechtsscheppende taak respect toont voor de gemeenschappen waarin mensen opgroeien en leven en waarin zij normen en waarden beleven, waaraan zij hechten. Aan die gemeenschappen kleeft altijd ook een juridisch aspect. Van de overheid mogen mensen verwachten dat dit juridische aspect zodanig behartigd wordt, dat recht gedaan wordt aan de eigen kwaliteit van de gemeenschappen in kwestie. Dat kan heel goed zonder dat er van corporatisme of dwanggemeenschappen sprake is. Het kan naar christen-democratisch inzicht echter niet door alle maatschappelijke structuren terug te brengen tot spontane initiatieven van individuen, die zich al of niet binden, zoals Groenveld en Van der List bepleiten. Mensen behoeven bij hun vrije maatschappelijke activiteiten de ruggesteun van het recht, dat de eigen aard van die activiteiten bekrachtigt en misbruik afstraft. De staat verstoort aldus niet 'de normale processen van groepsvorming en culturele ontwikkeling', maar maakt deze juist mogelijk. Was overheidsdwang terzake van de nakoming van handelsovereenkomsten niet één van de eerste eisen van het opkomende liberalisme in de achttiende eeuw? Maar ligt dan niet in diezelfde lijn een gerechtvaardigde aanspraak van de bevolking op juridische bescherming van maatschappelijke solidariteit en rechtmeesterschap? Of is het niet 'normaal' dat mensen zich bekommeren om hun naasten en om de schepping? Zolang de Teldersstichting tot die erkenning niet komt, is er geen sprake van dat CDA en VVD één pot nat zouden worden. Integendeel, nu de sociaal-democratie vervluchtigt zou de tegenstelling tussen christen-democratische communitaristen en liberale marktdenkers wel eens de belangrijkste politieke polariteit van dit moment kunnen zijn.

    • C.J. Klop