Liberaal gemoraliseer verhult sociale problemen

Ook een liberaal politicus dient te moraliseren, schreven K. Groenveld en G.A. van der List, beiden van het wetenschappelijk instituut van de VVD, onlangs in deze krant.

Komt de VVD nu in het vaarwater van D66 en CDA? J.F. Glastra van Loon (D66) verwijt de VVD'ers geen oog te hebben voor de achtergronden van sociale problemen.

C.J. Klop (CDA) ziet in het pleidooi van Groenveld en Van der List een liberale koerswending in christen-democratische richting.

Dat een politieke partij zich over haar ideologische grondslag buigt, kan nooit kwaad. Dat zo'n partij dat doet, terwijl zij op een hoogtepunt staat van electoraal succes, is opmerkelijk. Maar wanneer zo'n partij op grond van zulke kritische bezinning tot de conclusie komt, dat zij in haar oordelen over mens en maatschappij meer moraal en gemeenschapszin moet stoppen, dan geeft dat te denken.

“Voor liberalen, geconfronteerd met diverse verschijnselen van maatschappelijke desintegratie (zoals de stijgende criminaliteit)”, schrijven Groenveld en Van der List, “is het een intellectuele opdracht aan te geven hoe het deugdenethos van de communitaristen (en conservatieven) gecombineerd kan worden met de liberale vrijheidsleer”.

Communitarisme is een uit de Verenigde Staten overgewaaide beweging van mensen die zich zorgen maken over de desintegratie van hun maatschappij en deze toeschrijven aan een steeds meer ten koste van traditionele gemeenschappen en de daarin gehuldigde normen en waarden terrein winnende individualisering. Zij keren zich met klem tegen het liberalisme dat de opvatting zou verkondigen, dat individuen zich vrij, zonder staatsinmenging moeten kunnen ontplooien.

Zoals Groenveld en Van der List opmerken kent het liberalisme verschillende stromingen. Daaronder is er een die mensen beschouwt als van nature asociale wezens die alleen op grond van inzicht in het nut van sociale verbanden overgaan tot de vorming daarvan. Volgens deze utilistische stroming bepaalt het nut van een sociaal verband, dus ook en in het bijzonder dat van de staat, wat het van de burgers mag eisen, respectievelijk hoeveel vrijheid het hun moet laten om zelf hun zaken te regelen.

Een andere stroming van het liberalisme daarentegen beschouwt mensen als van nature sociale wezens die spontaan gemeenschappen met elkaar vormen. Die gemeenschappen zijn enerzijds bevorderlijk voor hun ontplooiingsmogelijkheden, anderzijds beperken zij die juist. Ieder van die gemeenschappen heeft haar eigen doel en inhoud. De staat is in de loop van de geschiedenis ontwikkeld om conflicten (zoals godsdienstoorlogen) tussen hen tegen te gaan en te beslechten en de vrijheid van individuen tegenover hen te beschermen. Hiertoe moet de staat (bijvoorbeeld door de scheiding van kerk en staat) neutraal staan ten opzichte van de vrijwillig gevormde verbanden en de voorkeuren van individuele burgers voor de een of de ander van hen. Volgens de eerste opvatting past het in de rol van de staat over de gedragingen van burgers niet alleen volgens de regels van het geldende recht maar ook krachtens morele normen oordelen te vellen. Volgens de tweede opvatting is dat echter in strijd met de neutraliteit die de staat in acht moet nemen.

Groenveld en Van der List merken terecht op, dat de communitaristen dus overdrijven, wanneer zij liberalen in het algemeen begrip voor het belang van gemeenschapsbanden ontzeggen of hun de opvatting in de schoenen schuiven, dat politici geen morele oordelen mogen vellen. De communitaristische kritiek treft, zeggen zij, slechts in zoverre haar doel, dat liberale politici in de recente periode van individualisering te veel geneigd zijn geweest, sociale controle en morele oordelen over het gedrag van anderen te beschouwen als een vorm van paternalistische bemoeizucht. Dit moet worden gecorrigeerd: politici moeten voortaan weer meer moraal en meer gemeenschapszin in hun beleid verwerken.

Hiermee heb ik niet alle nuances van het betoog van Groenveld en Van der List weergegeven, alleen de hoofdlijn. Ik ga nu bijvoorbeeld ook niet in op de vraag, hoe de combinatie van meer gemeenschapszin en meer moraal kan worden verenigd met de tegenstrijdige opvattingen van de menselijke natuur in het liberalisme.

Wat mij in het liberale pleidooi ten gunste van moraliseren in de politiek het meest treft, is wat er niet staat. Het hele betoog van Groenveld en Van der List is gebouwd op de veronderstelling, dat de problemen waarmee onze maatschappij heeft te kampen (zoals de stijgende criminaliteit) zijn toe te schrijven aan een verwaarlozing van morele normen en waarden in onze maatschappij - een soort geseculariseerde zondigheid. Geen woord is gewijd aan de sociale processen - zoals de technologisering, urbanisering en commercialisering van de maatschappij en haar splitsing in een onder- en een bovenklasse - die met die problemen iets te maken zouden kunnen hebben.

Liberalen hebben hun analyses van oudsher geconcentreerd op de relatie tussen individu en staat. Daar waren goede redenen voor. Niet de minste daarvan was het gebruik van overheidsmacht voor het opleggen van bepaalde morele en geloofsovertuigingen. Wat zij echter in hun preoccupatie met deze voor de vrijheid en de ontplooiingsmogelijkheden van mensen belangrijke relatie vrijwel steeds hebben verwaarloosd zijn de overige machtsrelaties tussen mensen in de maatschappij. Groepsvorming is niet alleen enerzijds bevorderlijk anderzijds beperkend voor de zelfontplooiing van mensen. Zij schept ook sociale machtsverhoudingen met een eigen dynamiek.

Wie een voorstelling wil hebben van de manier waarop de machtsverhoudingen tussen groepen in de maatschappij zich ontwikkelen, kan dat onder andere verkrijgen door te kijken naar de ontwikkeling van de verhoudingen tussen verenigingen van professionele voetballers. De meest succesvolle clubs kunnen zich de aanschaf van de beste spelers veroorloven, de minder sterke clubs raken hun beste spelers kwijt aan de meest succesvolle, de zwakste clubs worden voortdurend vervolgd door degradatiegevaar. Zo vormt zich een topgroep die nog rijker kan worden in internationaal voetbal en een staartgroep die daar zelfs niet aan kan ruiken. Natuurlijk spelen nog andere factoren (zoals kapitaalkrachtige geldschieters) in deze processen een rol, en natuurlijk gaat deze vergelijking zoals alle vergelijkingen mank. Maar de kern van het probleem van steeds machtiger wordende machtigen en kansloos blijvende zwakken in onze maatschappij wordt met dit voorbeeld helder geïllustreerd.

Aan de hand van dit voorbeeld - hoe mank ook - kan bovendien worden verduidelijkt, waarom een sociaal stelsel, dat niet meer is dan een vangnet voor de zwaksten, voor het beheersen van de dynamiek van dit soort maatschappelijke processen jammerlijk tekortschiet. Het sociale stelsel van de verzorgingsstaat heeft op een aantal punten ernstig gefaald, het heeft nieuwe sociale problemen geschapen en bovendien de financiële draagkracht van onze maatschappij overtroffen. Met de afschaffing van de voorzieningen van de verzorgingsstaat wordt echter de dynamiek van de machtsverhoudingen in onze maatschappij niet weggenomen. Met het invoeren van een waarborgstelsel wordt die dynamiek alleen maatschappelijk aanvaardbaar gemaakt en wel in zoverre, dat de meest aanstootgevende en ontwrichtende effecten ervan worden opgevangen. Wanneer dit wordt gecombineerd met een uitbreiding van de rol van de vrije markt werkt het in feite als een sociale dienst voor de macht van de machtsmonopolisten in onze maatschappij.

Wij zullen iets beters moeten vinden voor het bestrijden van de problemen van onze maatschappij dan een combinatie van vrije markt, vangnet en moraal. Het moreel afkeuren van de symptomen van zulke problemen heeft veeleer het effect de oorzaken daarvan te verhullen, dan er aandacht op te vestigen. Het risico zit er zelfs dik in, dat de moralisering van de problemen zal fungeren als een rechtvaardiging van de levenswijze en de machtsverhoudingen waaruit die problemen voortkomen.

    • J.F. Glastra van Loon