Jaloers op bejaarden; Afstandelijk poëziedebuut van Bernard Dewulf

Bernard Dewulf: Waar de egel gaat. Uitg. Atlas, 52 blz. Prijs ƒ 25,-.

Soms doet de werkelijkheid zich opeens in haar volle omvang, en tegelijkertijd in haar volle doorzichtigheid aan de mens voor: momenten van grote helderheid waarin alles opeens is wat het is, zonder verdere duiding. 'De rotsen versteend, het water gewassen. Een zon die maar schijnt', zo wordt die ervaring beschreven in een gedicht van Van Geel. Ook Bernard Dewulf beleeft in zijn debuutbundel Waar de egel gaat zo'n helder moment. 'Dat stoel en kast stoel en kast staan te zijn' en dat ze 'eindelijk poten' hebben: dat is de buitenkantige sensatie die er aan ten grondslag ligt. Evenzo: 'Dat zij 's ochtends lippen zet,/ ogen lijst, haren - klaar/ voor een dag in hun bestaan./ Dat in hun grote verstomming/ de bomen, in leegte de tuin, en/ dan ineens en hardop de bloemen.' Het wordt allemaal gezien en geregistreerd, maar niet werkelijk gevoeld, want zo gaat dat bij helderheidservaringen. Van Geel zette later als titel boven zijn gedicht 'Geluk'. Dat van Dewulf heet alleen maar 'Zo'. Hij blijft zich verbazen: over zoveel werkelijkheid, zoveel aanwezigheid, van het grote en het kleine:

Dat theepot en hemel, mijn hand, dat alles zo onnodig, zo oneindig bedreven wil zijn in er zijn. Het is nog niet eens zo gemakkelijk om dit stamelende verslag van een helder moment te plaatsen. Men kan er onthechting in lezen, met de dichter in de rol van losgeraakte denker of ziener. Men kan het opvatten als een luchtig geval, en dan is Dewulf een verwonderd dichtertje. Of eenvoudig als een anekdote, een beschrijving van onuitgeslapen doezelen met een kopje thee aan de ontbijttafel terwijl de wereld allang wakker is - en dan is de dichter gewoon te laat naar bed gegaan. Maar in alle gevallen (denkertje, dichtertje, dromertje) speelt ook een zekere wanhoop mee en een neiging tot terugtrekken, terugdeinzen voor alles wat er is en zich zo onnodig en oneindig opdringt.

Afstand bewaren: dat is wat Dewulf in zijn poëzie graag doet. Zijn aanleidingen zijn realistisch, maar hij laat er zoveel tijd over heen gaan dat de scherpe kantjes er vanzelf afslijten. Zodat zijn gedichten, hoe anekdotisch ze in wezen ook zijn, vooral een beschouwelijke indruk maken. In de eerste afdeling komt die afwachtende houding mooi van pas. Dewulf geeft daarin een serie portretten van licht dementerende of anderszins onthechte bejaardentehuisbewoners. Hun verstoorde werkelijkheidsbeleving zorgt vanzelf al voor de nodige afstand. 'Nu is nu en dan': dat geldt voor de gepensioneerde boswachter voor wie er geen doorgaand heden meer is, alleen nog momenten van helderheid. Maar ook dan lopen heden en verleden door elkaar: 'Toch moet hij morgen/ naar het bos, zijn hoofd ligt/ nog vol hout.' Zo zijn er meer. 'Iets in haar hoofd speelt met de tijd', noteert Dewulf over een vrouw die voor het slapengaan nog even de was wil strijken. In andere kamers ziet hij een hoofd gevuld met 'te vele levens', een verwarde geest bezocht door 'vergeefs geklapwiek van gedachten', een vrouw die een 'doolhof' is geworden, met alle schrijnende gevolgen vandien: 'Ze ziet haar eigen knipoog niet.'

Dewulf beschrijft zijn bejaarden zonder veel sentiment, maar wel met respect; zonder veel inleving (want inleven is hier moeilijk), maar wel met een zekere jaloezie: om het gemak waarmee ze verschillende werelden met elkaar verbinden. Zelf gaat hem dat maar moeilijk af, zo blijkt in de tweede afdeling 'Een vrouw', met zestien gedichten het hart van de bundel vormend. Het is een wat statisch en saai geval, gespeeld rond motieven als 'afstand' en 'aanwezigheid'. Er zijn aanwijzingen voor seks en voor slaafse vrouwendienst, terwijl het geheel ook gelezen kan worden als de verdichterlijking van simpel huwelijksgeluk, maar het komt er allemaal niet echt uit. Daarvoor neemt Dewulf te vaak zijn toevlucht tot voorzichtige en veilige vaagheden als 'Zij weet wie zij is', 'Ik zit aanwezig, nog verbonden met mijn ik' en 'Wij veroorzaken elkaar'. Pas in het laatste gedicht dringt de werkelijheid door de beschouwelijke buffer heen, in de vorm van een auto-ongeluk met dodelijke afloop. We zien bloed ('miljoenen rode sponsjes'), blikschade ('glas en chroom') en lugubere details: in het gras ligt 'een feestelijke schoen' en wat verderop 'de voet die paste'.

Zulke scherpe waarnemingen zijn er meer, maar ook weer niet al te veel - en daarmee is op nog weer eens een andere manier zijn sympathieke, welluidende, goed verzorgde, bescheiden debuut gekarakteriseerd. Wat te zeggen over een dichter die niet wil opvallen? Dat hij in zijn opzet geslaagd is en ook weer niet, want wie goed luistert hoort toch wel degelijk Dewulfs eigen stem in het stille koor van onopvallende dichters: ergens tussen de besloten intimiteit van Herman Leenders en de wat hardere aanpak van Charles Ducal in.

Er gist zo te zien niet veel in Dewulfs gedichten, maar schijn kan bedriegen. Neem een gedicht als 'Poëzie' dat met zoveel woorden aanraadt juist niet een gedicht te nemen: 'Neem een vrouw. Neem haar niet/ in de woorden, vriend. In de wetenschap/ van een gedicht wordt niet bemind.' Zo is het: de werkelijkheid legt het af tegen de poëzie. Met het oog op zijn verdere carrière is het gevaarlijk als een dichter dat in zijn debuut al weet, maar wellicht kan deze uiterste relativering Dewulf ook wel van zijn remmingen bevrijden. Iets soortgelijks doet zich in het slotgedicht voor. Het beschrijft een avond waarop alles weer met zichzelf lijkt samen te vallen.

In de laatste regels schuift een 'tegendraadse egel' uit beeld, op de vlucht voor zoveel eeuwigheid. Die egel moet wel Dewulf zijn, traag maar tegendraads op weg naar zijn tweede bundel. Het zou voor zijn poëzie niet slecht zijn als hij, eenmaal aangekomen, eens een stekeltje opzette. Of misschien zelfs wel twee.