Het zijn de mannen die moeten klagen; Het seizoen van de vrouwenrol

Actrices klagen vaak over het ontbreken van goede vrouwenrollen. Dit jaar hadden ze daarin ongelijk. “De toneelmakers speelden en masse in op de durf en vechtlust van actrices, zij ontdekten en accentueerden het nonconformisme, de wendbaarheid, de dubbelzinnigheid van de vrouwenrollen in de stukken die ze ensceneerden.”

Toen de première van het stuk De gidsen in zicht kwam, was het weer eens zo ver: klagende actrices. Met velen bijeengeroepen in het televisieprogramma De Plantage omdat ze speelden in deze uit eenentwintig vrouwenrollen opgebouwde komedie (over de perikelen in en rond een padvindsterskamp), kostte het de toneelspeelsters weinig tijd om te belanden bij hun favoriete onrecht - het ontbreken van goede vrouwenrollen op het Nederlandse podium. En ook al zaten ze daar om het televisiepubliek warm te maken voor het stuk waarin ze gingen spelen, hier hielden ze niet meer over op. Actrices zat, emplooi ho maar, ze gaven het met steeds schilderachtiger woorden te kennen. Telkens opnieuw en steeds verontwaardigder werd het ons voor de voeten geworpen. En iedereen kreeg de schuld, behalve zijzelf.

Met stijgende verbazing zat ik te kijken (die verbeten hoofden!) en te luisteren. Ik ken allang alle door jarenlang gebruik gestaalde argumenten over de plicht tot mooi en liefst ook jong zijn en over de last die anderen juist van hun schoonheid ondervinden (nooit eens een karakterrol!). Ik kijk niet op van monomanie en manipulatie in de aantijgingen tegen regisseurs, casting directors en schrijvers, want ik weet dat er onder actrices net zo veel poeha en vertekend wereldbeeld schuil gaat als bij elke andere beroepsgroep. Maar nog, waar hadden ze het over? Telden al die vrouwenrollen van het afgelopen seizoen dan niet mee?

Nee, zei een collega later, die tellen niet mee. Het gaat ze om nieuwe stukken. Hedendaagse toneelschrijvers interesseren zich niet voor vrouwen, in hun stukken is voor actrices hooguit een interessante bijrol weggelegd. Ik zweeg, want pas later schoten me de Faecaliëndrama's van Werner Schwab te binnen. Schwab is dood, maar daarom toch niet automatisch onhedendaags. Zijn werk dateert van begin jaren negentig en maakte van De Trust een toneelgroep die zich uitdrukkelijk ontwikkelde tot een vrouwengezelschap. Schwabs De Presidentes was een stuk voor drie vrouwen en vooral Anneke Blok speelde er de sterren van de hemel en de stront uit de hel. En dat was geen uitzondering: De Trust had Rik Launspach, een schitterend acteur, ingezet en toch werd Schwabs OVERGEWICHT, onbelangrijk: VORMELOOS veel meer dan door hem, bepaald door Marieke Heebinks caféhoudster en vooral door Myranda Jongeling als Fotzi die haar kruis laat meedeinen met Peter Maffay's Du uit de jukebox. De indringende Trust-acteur Khaldoun Elmecky speelde een hoofdrol in VOLKSVERNIETIGING of MIJN LEVER IS ZINLOOS, maar dat regisseur Theu Boermans het stuk aan Schwab ontwrong en het voorzag van een zelf gecreëerd karakter, lukte hem door de rollen van Marisa van Eyle (als de ijselijke oermoeder: 'een keuken wacht altijd') en, weer, Myranda Jongeling (nu de indrukwekkende, grijsgeknotte feeks Mevrouw Grollfeuer). Misschien komt het door de stukken van Schwab dat Boermans juist de vrouwenrollen ontdekte als munitie voor verschijningen die je je leven lang niet meer kwijt raakt.

Dezer dagen speelt De Trust Faust, een nieuw stuk van Gustav Ernst. Boermans regisseerde Jaap Spijkers tot een vergaande Faustfiguur, maar veel meer maakte hij van Mefisto. Niet van een acteur, van een actrice kreeg die wijze duivel een lichaam. Tweeslachtig is de Mefisto van Sylvia Poorta, net iets meer vrouw en daarmee verleidelijk en wanstaltig tegelijk. Met horens, borsten, een pik en harige bokkepoten, met verminkte pumps in de vorm van ingebonden Japanse voetjes, of hoefjes, wie zal het zeggen. Faust choqueert, Mefisto is meerduidiger en oneindig griezeliger. En Poorta creëert een rol zonder weerga.

kindvrouwtje

Over hedendaags gesproken. Twee stukken van Lars Norén beleefden dit toneeljaar hun Nederlandse première, O'Neill en Zo eenvoudig is de liefde, het ene uit 1991, het andere uit 1990. In O'Neill legde Ilse Uitterlinden onder regie van Luk Perceval als de krijsende Carlotta Monterey net zo veel gewicht in de schaal als Peter van den Begin die haar echtgenoot Eugene O'Neill speelt. In Zo eenvoudig is de liefde gaf regisseur Agaath Witteman de rol de meeste nadruk die daarvoor de minste aanleiding gaf. Marijke Beversluis speelde het kindvrouwtje dat door Norén werd geschreven als een onmondige gans, als lijfeigene van haar echtgenoot. Maar bij Witteman werd zij allengs het middelpunt, de enige die, blozend en steeds giftiger, de anderen doorheeft, de enige die rekeningen vereffent.

Er waren het afgelopen seizoen meer rond vrouwenrollen cirkelende stukken te zien van hedentendaagse datum. Als 'Twee boerenstukken' presenteerde locatiegezelschap Hollandia recent toneel van Kersten Specht en Herbert Achternbusch. De regisseur liet ze dragen door Jacqueline Blom en Betty Schuurman, in bruten doen en in hun element, want simpel was er niets: Blom riep een dikke, even lepe als achterlijke vrouw op, Schuurman een stervende ouwe baas, ontroerend maar link als een looien deur. Bodil de la Parra en Carolina Mout schreven zelf een stuk, Orgeade overzee, over de verhouding tussen Surinaamse en Nederlandse meisjes, oude en jonge. Vier vrouwenrollen leverde dat op, met verve gespeeld door hen beiden. En ook Grimm was een nieuw stuk, hoe oud het bewerkte sprookjesmateriaal ook was, met als grootste verovering het spel van de jonge Vlaamse actrice Sara de Bosschere die de gruwelsprookjes aards en verlekkerd wreed wist op te roepen terwijl ze en passant veteraan-acteur Sam Bogaerts wegspeelde.

Albee en Euripides

We houden op over hedendaags, wat is dat voor een malle scheidslijn. Toneel speelt zich af op het podium en daar is het altijd nu, of een klassiek Griekse schrijver er de wet voorschrijft of een jonge Nederlander. Terugkijkend op het afgesloten toneelseizoen zie ik een snoer van stukken waarover acteurs meer zouden kunnen klagen dan actrices. Afgezien van twee maal Splendid's onder regie van Ivo van Hove en Angels in America (Guy Cassiers) was er voor acteurs nauwelijks gelegenheid om iets groots te verrichten, iets dat ertoe deed. Geen van de mannen kreeg de kans om zo eigen te worden met een rol als Geert de Jong, die mij zowel als Martha in Wie is er bang voor Virginia Woolf als in Hekabe de adem benam. Albee en Euripides, en wat dan nog? Wat een vertoon van veelzijdigheid, in het eerste stuk was ze een verliefde haai, in het tweede een aan rafels gescheurd moederdier; in het eerste een zweep voor het gevoel, in het tweede een bron van onsentimenteel verdriet. Goldbergvariaties van het gezelschap Art & Pro was een stuk voor acteurs, actrices hadden er weinig in te brengen. Het had veel succes, maar was met alle van regisseur Frans Strijards bekende fratsen en frutsels minder belangwekkend dan het stuk dat hij dit jaar ook regisseerde, met een peziger, spannender, meer van de acteurs afhankelijk resultaat: Ritter/Dene/Voss van Thomas Bernhard. Rudolf Lucieer speelde de gekke broer en deed dat geslaagd kierewiet. Dat hij werd overschaduwd door Els Ingeborg Smits en vooral Nettie Blanken als zijn zusters was een gevolg van Strijards regie. Vooral Blankens personage dwong hij vooruit tot een hilarische figuur die zich staande houdt door de andere twee fantasierijk uit te dagen.

Cas Enklaar en Erik De Visser waren op dreef in Het portret van Dorian Gray. Maar werkelijk verrassend in hetzelfde circuit was later Katelijne Verbeke met haar luide stilte in Agatha en eerder Arlette Weygers die in het stuk Oefening op de moeder en de zoon als een kelende kloek de herinneringen van haar zoon liep te vervuilen.

Zo kan ik doorgaan, de lijst is lang: Elsie de Brauw in Perzen en in Phaedra, Chris Nietvelt in De tramlijn die verlangen heet, Will van Kralingen in Hedda Gabler, de actrices maakten dat dit theaterseizoen bijzonder was. Niet Mark Rietman in Ilias, niet Gijs Scholten van Aschat in Britannicus, niet Aus Greidanus in Danton's dood, niet Joop Admiraal in Klaagliederen. Hoe mooi zij ook speelden, hun figuren kenmerkten zich door stilstand zonder dat het drama teweegbracht, hun regisseurs kregen geen vuur in die voorstellingen en het lukte acteurs noch regisseurs om een lijn uit te zetten die je hoe dan ook wilde volgen.

Gevangenschap

In de vrouwenrollen zochten de toneelmakers stof tot overpeinzing voor hun publiek, zelfs al ligt dat niet voor de hand. Elk van die rollen, van Blanche in De tramlijn tot Phaedra en Martha, zit in principe vast in zware kluisters. Beweging lijkt een utopie, en zo zijn die rollen ook vaak geregisseerd. Juist die boeien inspireerden dit jaar de regisseurs. Door de gevangenschap bleken de vrouwenfiguren zich gretig te verenigen met het nut van provocatie, doken ze maar wat graag weg in de omhelzingen van steeds weer andere ideeën en nooit waren ze bang: wat ik doe is misschien onzin, maar ik heb het tenminste gedaan en jullie kunnen me niks schelen. En misschien kunnen ze dat wel beter dan mannen, al was het maar omdat een vrouw in een pak mysterieus is en van alles kan betekenen, terwijl een man in een jurk op zijn best een alien wordt. Maar ook zonder uitzonderlijke kostumering hebben vrouwen meer gelegenheid tot veelvoudige verschijning dan mannen en dat is wat het afgelopen toneelseizoen werd uitgeplozen. Wie dat niet deed, verloor. In Ecstasy van Gerardjan Rijnders zette Joop Admiraal een ijzige moeder neer en die bleef een goedgespeeld cliché. In diezelfde voorstelling speelde Carla Mulder een vrouw op zoek naar kicks en Rijnders hield haar gevangen in het stramien dat hij al jaren aanhangt: een vrouw die op haar best is als een van een man afgeleid wezen, een agressief verzinsel van de man, een echo van zijn fantasie. Zonder tweede gezicht, zonder dubbelzinnigheid. Dubbelzinnigheid stak wel in Mooi, ook van Rijnders: daar bleek een voornamelijk zwijgende vrouw een man in travestie te zijn. Die coup de théâtre leverde te weinig op, zeker na de onderling inwisselbare scheldsalvo's van het echtpaar waar het stuk om draaide en het stak bleek af tegen de werkelijk op vrouwen geconcentreerde stukken van het afgelopen seizoen. Die lieten je kopje onder gaan, of je wilde of niet, zelfs als de voorstelling je maar voor een gedeelte boeide.

Bohémien

Ter verklaring van het feit dat hij zich voor het Nederlandse Biennale-paviljoen in Venetië beperkte tot het werk van drie kunstenaressen, zei museumdirecteur Chris Dercon in een gesprek met deze krant dat hij de vrouw beschouwde als 'de bohémien van het einde van de twintigste eeuw'. De Nederlandse toneelmakers zijn dat met hem eens, naar het schijnt. Zij speelden en masse in op de durf en vechtlust van actrices, zij ontdekten en accentueerden het nonconformisme, de wendbaarheid, de dubbelzinnigheid van de vrouwenrollen in de stukken die ze ensceneerden. Soms leek het zelfs of gezelschappen en toneelmakers hun stukken erop uitzochten. Zo was er Shakespeare, ieder jaar is er Shakespeare. Maar dit maal geen Hamlet, het stuk dat Ophelia uitroept tot gekkin of naïef, dit keer geen Romeo en Julia met Romeo als het middelpunt van een complexe psychologische intrige en voor Julia weinig meer ruimte dan een aanloop tot zelfmoord. Er was Timon van Athene en was het toeval dat juist Rijnders' Toneelgroep Amsterdam daarmee kwam? Dat stuk met uitsluitend mannenrollen ging mank aan verstarring en zelfingenomenheid, door de eenzijdige benadering van regisseur Pierre Audi.

Nee, dit was het jaar van Troilus en Cressida. Johan Doesburg schoof Troilus en de schimmige kerelkoorts van Trojaanse en Griekse manschappen terzijde ten gunste van Cressida. Traditioneel is dit stuk een aanleiding tot vrouwenhaat: Cressida is een sloerie die de verliefde Troilus verraadt voor het warme bed van de vijand. Niet volgens Doesburg. Hij liet Ariane Schluter een vrouw neerzetten die haar tederheid wegsluit omdat ze merkt dat haar minnaar minder van haar houdt dan zij van hem. Doesburg versterkte haar ommekeer met een gedaanteverwisseling. Ze liep in mannenpakken en was vrij en zichzelf. Toen ze, bewust en treurend maar overtuigd, koos voor cynisme, ging haar overhemd open en bracht ze, met het zwartkanten ondergoed, de drel aan de dag waar dat achterlijk manvolk haar altijd al voor versleet. Ze speelde hun spel mee en daarmee maakte Doesburg van haar de wijste, de meest tragische en de meest gelaagde figuur van Troilus en Cressida, van het hele toneeljaar.