Een explosie van ernstige onzin; Nelly van Doesburg, wegbereidster van de jongste kunst

Toen Theo van Doesburg in 1931 overleed, liet hij zijn vrouw Nelly een chaotische verzameling schilderijen, manuscripten en schetsen, en het nog onvoltooide huis in Meudon na. Om aan geld te komen verkocht of verlootte ze af en toe een schilderij. Nelly van Doesburg kende iedereen in de kunstwereld, ze was bevriend met Willem Sandberg en Peggy Guggenheim en had een relatie met jazzpianist Thelonious Monk. Vanuit Meudon werkte ze aan de verspreiding van de moderne kunst over de wereld.

Op een vorig jaar in Nederland uitgebracht telefoonkaartje staat een opmerkelijke tekst. Geen woord valt er te lezen, letters in verschillende korpsen met enkele horizontale en verticale streepjes, meer niet. Het zijn Letterklankbeelden van de dichter I.K. Bonset, zoals die in juli 1921 in het maandblad De Stijl hebben gestaan.

I.K. Bonset is een pseudoniem van de schilder, dichter en architect Theo van Doesburg. Hij zou dat telefoonkaartje prachtig en vreselijk hebben gevonden. Het had zijn ideeën hoe dan ook vermenigvuldigd en daar was hij steeds weer op uit. Hij was dol op machines en op de kunst die in het leven van alle dag kon opgaan, maar hij vond ook dat diezelfde kunst het leven had vergiftigd. 'Het estheticisme heeft ons allen aangestoken (helaas ook ons). Men kan geen voorwerp aanraken of het is er mee besmet (in Holland beschildert men elke straatklinker met een ornamentje of een kwadraatje!)', schreef hij in 1925 onder de kop 'Het einde der kunst' in De Stijl.

Van Doesburg stierf op 7 maart 1931 aan een hartaanval in Davos. Een paar maanden later werd van Nelly van Moorsel, met wie hij op 24 november 1928 was getrouwd, een foto gemaakt in het atelier van hun nieuwe huis in Meudon - Val Fleury, zeven kilometer ten zuidwesten van Parijs, waar Van Doesburg maar drie maanden had kunnen wonen.

Omgeven door z'n werk zit ze daar op die lange tafel van beton, duidelijk ontworpen voor een architect om er papieren op te kunnen uitrollen. Op dat ogenblik was zij eenendertig jaar. Ruim tien jaar eerder had zij om haar liefde voor de zestien jaar oudere Van Doesburg met haar Haagse familie gebroken en was samen met hem voor goed uit Nederland vertrokken. Van nabij had zij meegemaakt hoe Van Doesburg in Weimar, Berlijn, Straatsburg en Parijs, op al die adressen waar zij hadden gewoond, maar voor één ding leefde: de Stijl.

Van Doesburg liet Nelly nauwelijks geld na, maar wel zijn kunstzinnige nalatenschap en die was groot en chaotisch. Sporadisch getoonde schilderijen en tekeningen, ongepubliceerde manuscripten, schetsen van werk dat nooit meer kon worden voltooid en dan nog dat laatste huis in Meudon. Het was nog niet eens helemaal af.

Wie de Stijl noemt denkt nu onwillekeurig aan de jaren 1917-1932, de tijd dat het blad bestond en Mondriaan en Van Doesburg hun belangrijkste ideeën ontwikkelden. Maar de eerste grote overzichtstentoonstelling van de Stijl als groep werd door Sandberg pas in 1951, twee jaar na de roemruchte Cobra-expositie, in het Stedelijk Museum georganiseerd.

Het huis van Van Doesburg in Meudon is een paar jaar geleden als bouwplaat uitgebracht. In het begeleidende boekje staat ook die foto van Nelly op de betonnen tafel. De Europeaan die zelf dat huis wil bouwen kan zich door dertig aanwijzingen in het Frans, Duits en Engels laten leiden. 'Snijd luifel A 21 uit, plak hem in elkaar en bevestig hem boven de voordeur', luidt één van de dwingende opdrachten.

De vroegere bewoonster komt zelf onder punt tweeëntwintig aan bod: 'Snijd voorzichtig de beeltenis van Nelly van Doesburg-Van Moorsel uit, lijm de twee zijden tegen elkaar en nodig haar uit haar plaats op de ateliertafel wederom in te nemen.'

Kamperen

In het voorjaar van 1931 kreeg ze gezelschap van de zevenentwintigjarige Hermine Giefing, die als hulp in het huis van Nelly's moeder aan de Haagse Violenweg werkte. Giefing was naar Meudon gekomen om Nelly's eenzaamheid te doorbreken en ze hielp mee het huis op orde te brengen. Het was nog nauwelijks ingericht. Overal stonden onuitgepakte kisten, in de garage lagen de maquettes schots en scheef door elkaar en het huishouden had veel weg van kamperen. De Russische aannemer was nog niet afbetaald en er moesten allerlei andere geldproblemen worden opgelost.

Hoe weinig geld er ook was, volgens Hermine Giefing had Nelly van Doesburg een groot zakelijk instinct. Ze liet de kleine terriërs Dada en Bouboule als waakhonden inschrijven, dan hoefde ze voor die twee geen belasting te betalen. Een ander dier bracht werkelijk geld op. Als Alexander Calder op reis was logeerde zijn hond als 'paying guest' in Meudon. Ze stopte hem al die tijd in de garage omdat haar eigen terriërs het niet met hem konden vinden.

Af en toe verkocht ze een schilderij, een grote danseres van Gino Severini die in de gang tussen de bibliotheek en de slaapkamer hing. Steeds zocht ze naar andere mogelijkheden om aan geld te komen. Ze was een voortreffelijk pianiste die aan het begin van de jaren twintig in Parijs wel met Satie optrad en op andere dada-avonden werk van Stravinsky, Rieti, Van Domselaer en Ribemont-Dessaignes had gespeeld. Voordat Van Doesburg in 1927 met Arp en Sophie Taeuber aan de kleuren voor de Aubette in Straatsburg begon werkte ze om bij te verdienen als pianiste in een operette-orkest, als begeleidster van stomme films en als danseres in een theater op Montmartre.

Van Doesburg was daar tegen geweest en na zijn dood had Nelly er geen zin meer in. De architect A. Elzas leerde haar in '29 kennen, toen hij voor Van Doesburg in de Villa Corot de bouwtekeningen van het huis in Meudon maakte. Daar ontmoette hij in '31 Hermine Giefing, werd verliefd en trouwde met haar. Elzas herinnert zich dat er voor het werk van Van Doesburg in die tijd geen enkele belangstelling was en hoe Nelly een schilderij, al wilde ze het liever niet kwijt, toch te gelde wist te maken.

Het simpelste - een loterij. Vijftig vrienden namen een lot ter waarde van vijf gulden, Jean Arp, Max Ernst, Mondriaan, iedereen deed mee. Ook de architect J.J.P. Oud was benaderd en ofschoon z'n verhouding met Van Doesburg verre van zonnig was geëindigd nam hij toch een lot.

Oud won. Elzas was bereid om het goed verpakte schilderij mee te nemen naar Nederland. Hij nam de trein, belde Oud en die zei dat hij dan maar langs moest komen. “Oud pakte het schilderij uit, bekeek het heel even en zei: nee, dat wil ik niet hebben - ruzie over het graf heen,” zegt Elzas. “Toen had ik natuurlijk moeten zeggen: mag ik het dan? Niet gedaan, ik heb het teruggebracht naar Meudon.”

De architect Aldo van Eyck weet dat het kort na de oorlog niet anders was. Hij werkte toen in Zürich en maakte op verzoek van de schrijfster Carola Giedion-Welcker, kortweg C.W., als haar ambassadeur tochten naar Parijs om levensmiddelen, brieven en andere zaken naar haar vrienden te brengen. Hij raakte bevriend met Brancusi en Tzara en ook met Nelly van Doesburg, die hem vrijwel meteen 'mijn zoon' noemde.

“In '45 had Nelly nóg geldmoeilijkheden,” zegt Van Eyck. “Ze was in Zürich een keer bij haar grote vriendin C.W. en had toen een aquarel van Van Doesburg bij zich, hoe noem je het, een voorstudie, een schets op transparant papier. Dat ding heb ik ingelijst. Lohse, Max Bill, Arp zat er toen geloof ik ook, iedereen deed mee. Tien of vijfentwintig frank per lot en de opbrengst was voor Nelly. Het werd gewonnen door een jongen die anatomische tekeningen van lijken maakte. De eerste keer dat ik bij haar was wilde ze me meteen een schilderij van Van Doesburg geven. Maar omdat ze geen cent had zei ze: geef me er maar driehonderd frank voor als ik in Zürich ben.”

Fundering

Nelly van Doesburg werkte iedere dag in de kleine bibliotheek van het huis in Meudon. Ze bewaarde elk papiertje met de grootste zorg, beantwoordde brieven, catalogiseerde schilderijen, tekeningen en ontwerpen. Hermine Giefing zag dat ze Van Doesburg verafgoodde en dat ze het haar taak vond om zijn werk voort te zetten. Van Eyck daarentegen vindt dat ze niets van 'de weduwe' had. Toen ze op 2 oktober 1975 stierf had hij zelfs het gevoel dat 'de fundering' was weggevallen.

De fundering van wat?

Door Nelly van Doesburg was in de herfst van 1929 onder de naam Expositions selectes d'art comporain een tentoonstelling georganiseerd voor het Stedelijk in Amsterdam en Pulchri Studio in Den Haag. Die kan niet 'typisch de Stijl' worden genoemd. Mondriaan en Van Doesburg deden eraan mee, maar verder ook sterk van elkaar verschillende kunstenaars als Charchoune, Crotti, Freundlich, Torrès-Garcia, Kupka, Miró, Picasso en Villon.

Met de verspreiding van al dat bij een groot publiek nog zo goed als onbekende werk ging ze in de jaren dertig door. Ze was geen boekhoudster van de Stijl maar ontwikkelde zich tot een onbezoldigd wegbereidster van de jongste kunst.

Willem Sandberg leerde Nelly van Doesburg in 1935 kennen. Samen met Elzas en Hermine Giefing zaten ze op het terras onder het atelier van het huis in Meudon en maakten plannen. Sandberg werkte in het Stedelijk toen nog bij toegepaste kunst, maar hij kreeg de directeur, 'de oude heer baard' zoals hij hem in zijn herinnering bij de dood van Nelly noemt, zover de eerste Nederlandse overzichtstentoonstelling van Van Doesburg te houden.

Op 2 mei 1936 werd de expositie in de hoekzaal geopend. Het openingswoord van Van Eesteren herinnerde Sandberg zich in '75 niet meer maar hij wist nog wel dat de grote tranen die tijdens de toespraak langs Nelly's wangen biggelden bruin op haar groene blouse landden. In de catalogus stond dat de werken 'aangegeven als eigendom mevr. Van Doesburg' te koop waren. Verreweg de meeste kwamen uit haar bezit. Sandberg kon de heer Baard overhalen voor vijfhonderd gulden 'de compositie met rode ruit' te kopen, de Contra-compositie V uit 1924.

Twee jaar later, in april 1938, hielp ze Sandberg bij zijn eerste expositie als museumconservator die kortweg 'abstracte kunst' heette. Door haar bemiddeling maakte de jonge conservator kennis met Sophie Taeuber, Arp, Brancusi, Calder, Domela, Freundlich, Kupka, Magnelli, Pevsner en Vantongerloo.

Voor verscheidene kunstenaars was dit hun eerste tentoonstelling in een museum. Het kon dat jaar niet op in Amsterdam. Twee grachten verder werd in de Galerie Robert, Keizersgracht 527 de eerste internationale tentoonstelling van het surrealisme gehouden, maar daar had Nelly niets mee te maken.

Door de kennis en de verzameling van de bewoonster werd het huis in Meudon steeds meer een middelpunt van de moderne kunst. Vlak voor de oorlog raakte ze bevriend met Peggy Guggenheim. Samen met Marcel Duchamp verbeterde Nelly van Doesburg in Meudon de door de kunsthistoricus Herbert Read gemaakte oerlijst van Guggenheims toekomstige collectie. 'Nelly wist wat ze deed', schreef Guggenheim, 'ze had een fantastisch oordeel en maakte nooit een fout.'

In haar memoires Out of This Century herinnert deze verzamelaarster zich dat ze in het huis logeerde en dat ze tot haar verbazing alleen maar een wand hoefde te bewegen om een kamer uit het niets te maken. Ruim zes jaar later stond Aldo van Eyck voor dezelfde wanden, 'draaibare deuren zijn het, ik zat er de hele tijd maar mee te spelen, je kan het zo op de achterkant van een envelop tekenen, helemaal raak, dat is zo moeilijk, een idee dat ook nog functioneert.'

Zone libre

Nelly probeerde in het begin van de oorlog samen met Guggenheim van Marseille over Lissabon naar Amerika te vluchten, maar ze kreeg geen visum. Op aanraden van Peggy ging ze niet terug naar Meudon. Ze bleef in de zone libre, omdat ze verliefd was geworden op de veel jongere Sourou Apithy die aan de universiteit van Lyon werkte. Toen ze in die stad een hotel nam kreeg ze grote moeilijkheden met de politie. In haar in het Frans geschreven herinneringen zegt ze dat ze voortdurend in de gaten werd gehouden omdat er elke zondagmiddag in haar hotelkamer bijeenkomsten werden gehouden met 'certains hommes de l'Afrique du Nord et l'Afrique noir'.

Die herinneringen schreef ze in verschillende steden van Noord-Amerika. Aan haar jaren in Lyon voegt ze trots toe dat de genoemde Afrikanen 'actuellement des députés de l'Assemblée Nationale à Paris' zijn. Later zou Apithy vice-president van het nu van Frankrijk onafhankelijke Dahomey worden.

Ze was in '47 op uitnodiging van Peggy Guggenheim naar Amerika gegaan, in het jaar dat Kurt Schwitters op 29 maart vanuit z'n ballingsoord Ambleside in Wales aan de Nederlandse wiskundige Hans Freudenthal schreef dat hij in Meudon vooral de collectie van Nelly van Doesburg moest gaan bekijken, werkelijk eerste klas.

Freudenthal zal voor een dichte deur hebben gestaan. Nelly was begin maart in New York aangekomen. Meteen na de oorlog had ze alleen en met de galeriehouder René Drouin weer enkele tentoonstellingen georganiseerd. Ze noemde er één Art Concret, een andere was aan Kandinsky, Arp en Pevsner gewijd en nu, in de galerie Art of This Century van Peggy Guggenheim, was de beurt aan Van Doesburg.

Om haar aankomst te vieren organiseerde Peggy een welkomst-party waarop Nelly vele vrienden en bekenden na jaren terugzag. Er waren meer dan honderd gasten onder wie de architecten Le Corbusier, José Luis Sert, Marcel Breuer en Philip Johnson, de schilders Joan Miró, Hans Richter, Sandy Calder, Marcel Duchamp, Jacques Lipchitz, Marc Chagall en Amédée Ozenfant, de componisten Edgar Varèse, Virgil Thompson, Vittorio Rieti en Stanley Bates, de critici Clement Greenberg en James Johnson Sweeney, de schrijver John Steinbeck, de uitgever Georges Wittenborn en de directeur van The Museum of Modern Art, Alfred Barr. Mondriaan was een paar jaar eerder in New York overleden.

Iedereen had het over de Stijl en Van Doesburg. De expositie in Art of This Century werd een succes en reisde verder naar Chicago, San Francisco, Los Angeles, Portland, Seattle, Cincinnati en Cambridge. Van Doesburgs Amerikaanse publiek was ten slotte groter dan het in Nederland ooit zou worden.

Nelly van Doesburg bleef twee jaar in Amerika. De musical Annie Get Your Gun vond ze veel beter dan de in haar ogen volkomen ouderwetse 'sentimenteel-expressionistische' balletten van Martha Graham. Maar het meest werd ze aangetrokken door de zwarte wijken en de jazz-cafés, 'les boîtes', zoals ze die in haar herinneringen noemt.

In Harlem schaamde ze zich voor haar huidskleur. Hoe dan ook wilde ze kennis maken met de negers, van welke stand dan ook. Ze raakte bevriend met artsen, schrijvers en muzikanten. In de zwarte wijken viel niemand haar lastig. Jazzmuzikanten als Meade Lux Lewis, Dizzie Gillespie en Eddie Lockjaw Davis namen haar mee naar gesloten clubs waar de muziek tot vier uur doorging. Ze kwam op 'private-reefers-party's' en ofschoon ze geen 'dope-addict' was, zag ze dat marihuana de muzikanten kalm en vrolijk maakte en vroeg ze zich af of alcohol niet veel schadelijker voor de gezondheid was.

Ze probeerde Eddie Davis te interviewen, maar het mooiste kladje uit haar nalatenschap gaat over de bop-pianist Thelonious Monk, die toen nog zo goed als onbekend was.

'Drinkt 'Top and Bottom' (portwine + gin)', schrijft ze, 'alleen als hij in een 'boîte' speelt staat hij op voor een 'Top and Bottom' en die moet hij goed zoeken voor hij 'm mee kan nemen naar z'n piano.'

Boven deze wonderlijke notitie staat niet Thelonious maar Polonius Monk. Ze had de naam nog nooit gelezen. Ze hóórde hem die avond voor het eerst en schreef het op zoals het klonk. Monk werd haar minnaar en logeerde bij haar in Meudon als hij in Parijs moest optreden.

Ontzág-ge-lijk

In 1951 hielp ze Sandberg opnieuw. Samen met Van Eesteren, Rietveld en Oud was ze met haar archief en al haar kennis betrokken bij die eerste grote Stijl-expositie in het Stedelijk. In die tijd kwam ze ook veel langs in het huis van Aldo en Hannie van Eyck aan de Amsterdamse Binnenkant en nog zien ze haar hoofd door het trapgat op de derde verdieping komen, even verder hing de Van Doesburg, ze keek ernaar en zei: 'Ontzág-ge-lijk'.

Nelly van Doesburg zou tot zij op 2 oktober 1975 stierf in Meudon blijven wonen. In de tien jaren voor haar dood heb ik haar vaak opgezocht. Op mijn verzoek spraken we veel over de dadaïstische veldtocht die ze begin 1923 met Van Doesburg, Huszar en Schwitters door Nederland maakte. Met milde tegenzin beantwoordde zij mijn vragen. Waarom moest het altijd weer over vijftig jaar geleden gaan terwijl het op de hele wereld een bende was?

Mijn boek Holland Dada, dat veel van haar herinneringen bevat, kon ik haar in 1974 nog brengen. Nieuwe Woordbeeldingen van I.K. Bonset, een nooit uitgegeven dichtbundel van Theo van Doesburg, haalde ze tijdens die gesprekken ineens uit haar archief. Ik schreef er een nawoord bij, Reinold Kuipers van Querido gaf het uit, maar dat boek heeft ze niet meer kunnen zien. Een paar dagen voor ik het haar zou brengen was ze gestorven.

Toen ik haar sprak was ze op de kunst uitgekeken. Jean Leering was in die dagen directeur van het Van Abbe-museum en had het werk van Van Doesburg daar in '68, compleet met een reconstructie van de ciné-dancing in de Aubette, voor het na-oorlogse publiek ontsloten. Tegen hem had ze gezegd: “Direkteur van een museum te zijn wat betekent dat heden? Ik vind het gewoon belachelijk. Sta op en probeer de hele rotzooi te veranderen.”

Het leed van de wereld rustte zwaar op haar schouders. Maar haar venijnige humor had haar niet verlaten. Toen ze aan borstkanker werd geopereerd had ze zo graag in haar kamer van de kliniek Prière de toucher van Marcel Duchamp opgehangen, een borst van schuimrubber met een lichtroze tepel. En toen ze hoorde wat een enkele prentbriefkaart uit de tijd van de dada-veldtocht opbracht vroeg ze zich af of de hele wereld soms krankzinnig was geworden.

Ze wilde haar archief en haar hele kunstbezit aan de Nederlandse staat nalaten en toch kon ze er maar niet toekomen haar handtekening te zetten. Wies van Moorsel en Jean Leering, haar erfgenamen, hebben toen in haar geest gehandeld. Ze schonken ongeveer twaalfhonderd werken van Van Doesburg en het huis in Meudon - Val Fleury aan de Nederlandse staat. Er werd bepaald dat de schilderijen, tekeningen en ontwerpen over verscheidene musea moesten worden verspreid en dat het huis voor een jaar kan worden gehuurd door iemand die werkzaam is op een van de gebieden die door Theo en Nelly van Doesburg werden bestreken, een schilder, architect, dichter, schrijver, componist of vormgever.

Het afgelopen jaar heb ik er gewoond. De componist R. van Oosten, de schilders Emo Verkerk, Harald Vlugt en Marian Breedveld, de dichter Jacob Groot en verscheidene anderen zijn mij voorgegaan. Het is vreemd in een huis te leven van iemand die je goed hebt gekend. Soms lijkt het of de sporen van haar vroegere bewegingen nog niet zijn verdwenen, of je die kruist, met elke stap. De bandopnamen van de gesprekken heb ik niet afgedraaid. Haar stem mocht hier niet mechanisch klinken.

Harald Vlugt heeft de pacht van het graf van Nelly Van Doesburg op Le cimetière de Trivaux in Meudon voor vierhonderd frank tot 2005 verlengd.

Marian Breedveld liet het op haar laatste avond donker worden en heeft het licht toen niet meer aangedaan, zo moeilijk kon zij van het huis scheiden.

Hoe mooi het ook is, het gaat niet alleen om de architectuur. Dit huis is door Theo van Doesburg gebouwd, maar door Nelly van Moorsel tot leven gewekt. Aldo van Eyck noemde haar 'de fundering' en vanuit dit huis werd het vuurwerk dan ook afgestoken. De volgens Tristan Tzara 'atlantische tinten' van Theo van Doesburg, het geblaf van Schwitters, de scheursels van Arp, die hele ernstige onzin van de Stijl, dada, het constructivisme en hoe al dat werk verder ook mag heten, zonder het vuur van Nelly van Doesburg zou het in Nederland nooit zo hard zijn geëxplodeerd en had de echo niet zo lang nageklonken.

Met dank aan Wies van Moorsel voor de band van het gesprek dat zij in '82 met Hermine Giefing voerde, en voor de inzage van Nelly van Doesburgs herinneringen.

Literatuur: W. Sandberg: Petro van Doesburg 1899-1975. Museumjournaal, 6-12-75; Wies van Moorsel: Het onmisbare dadaistische muziekinstrument (in: Evert van Straaten: Theo van Doesburg 1883-1931. Staatsuitgeverij, 1983); Peggy Guggenheim: Out of This Century. Uitg. André Deutsch, 1995.