Debat over sociale zekerheid woedt volop in achterkamers

DEN HAAG, 23 JUNI. In de zomer van 1996 zal een fundamentele discussie worden gevoerd over de sociale zekerheid, zo heeft het kabinet bij zijn aantreden beloofd. Die discussie is echter al in volle gang. Zowel binnen de vakbeweging als in breder verband binnen de Sociaal Economische Raad (SER) wordt in het geheim gewerkt aan alternatieven voor de kabinetsplannen over ziektewet en WAO, die premier Kok en staatssecretaris Linschoten (sociale zaken en werkgelegenheid) op 28 april bekend maakten.

Het kabinet wil voor de meeste werknemers de ziektewet afschaffen en marktwerking introduceren voor de WAO, waardoor de premies omhoog zullen gaan. Zowel vakbeweging, werkgevers, verzekeraars, vertegenwoordigers van het overheidspersoneel, als SER-deskundigen zijn het daarmee grondig oneens. Het kabinet-Kok hield tegen de wens van deze maatschappelijke groeperingen en deskundigen vast aan het primaat van de politiek en zette de eigen plannen voor Ziektewet, AAW en WAO door. Vakbeweging, werkgevers, een aantal politieke partijen en experts zijn voor de introductie van een mini- of basisstelsel, waarbij de overheid verantwoordelijk is voor een uitkering op het minimum-inkomensniveau bij ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid.

Kok en Linschoten pasten op vrijdag 28 april een oude truc toe. Zij wezen op verdeeldheid bij de tegenstanders over het gewenste toekomstige stelsel voor de WAO. Weliswaar was de SER erin geslaagd om op 21 april een unaniem advies uit te brengen over handhaving en verlenging tot drie jaar van de Ziektewet en afwijzing van meer marktwerking ('opting out') in de WAO, maar tevens gaf de de raad blijk van verdeeldheid waar het ging om de eigen WAO-plannen. Daarvoor werden vier “denkmodellen” aangereikt.

Kok deed die laatste vrijdag van april cynisch over deze vier denkmodellen en veegde ze met een armzwaai van tafel. “Waar de verdeelheid zo groot is”, zei hij, “is het maar beter om als kabinet dicht bij het oorspronkelijke kabinetsbesluit te blijven, zoals dat in het regeerakkoord is vastgelegd.”

De sociale partners reageerden kwaad. Ze hadden amper tweeëneenhalve maand de tijd gehad voor hun advies, waar het kabinet alleen al dubbel zoveel tijd had genomen voor het opstellen van de adviesaanvrage.

FNV-voorzitter Stekelenburg kondigde aan alles in het werk te stellen om het gewraakte kabinetsbesluit alsnog van tafel te krijgen. Inmiddels wordt zowel binnen vakbeweging als SER hard gewerkt aan een alternatief. De Commissie Sociale Verzekeringen onder voorzitterschap van de Tilburgse hoogleraar economie A. Kolnaar heeft afgelopen dinsdag besloten om de door premier Kok gewraakte vier denkmodellen verder uit te werken. Hij zal trachten in het najaar met een unaniem standpunt over de WAO te komen.

Pag. 14: PvdA 'neurotisch' over basisstelsel

Tijdens de zomermaanden, zo is besloten, zal het SER-secretariaat voorwerk in de technische sfeer doen. Als de 45 overlegtijgers (15 werknemers-, 15 werkgeversvertegenwoordigers en 15 kroonleden) terug zijn van vakantie zullen de handen uit de mouwen worden gestoken.

Een vergelijk ligt binnen handbereik. Te meer daar de vakbeweging, die in het verleden steevast dwars lag als het om stelselwijzigingen ging, het vrijwel eens is over een alternatief waar ook de werkgevers, de meeste politieke partijen en deskundigen zich in kunnen vinden: de introductie van een ministelsel of basisstelsel. Het laatste woord geniet de voorkeur, maar er wordt hetzelfde mee bedoeld: de overheid is verantwoordelijk voor een uitkering op het minimum inkomensniveau (bij voorbeeld 70 procent van het minimumloon) bij ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid van werknemers. Daar bovenop kunnen dan collectief (per bedrijfstak, onderneming of instelling) of individueel aanvullende sociale verzekeringen worden afgesloten. Het systeem is niet nieuw, want het bestaat al bij het ouderdomspensioen. Dat is ook opgebouwd uit een drietrapsraket: een volksverzekering (de AOW) als basisvoorziening, waar bovenop per bedrijfstak aanvullende pensioenverzekeringen worden afgesloten. Eventueel kunnen daarboven nog individuele verzekeringen (koopsompolissen) komen.

Binnen de vakbeweging bestaan al een tijd vergevorderde plannen om een deel van de sociale zekerheid (het boven minimale deel) in eigen hand te nemen. De grootste FNV-bond AbvaKabo (320.000 leden) heeft zich reeds voorstander van zo'n stelsel getoond. Begrijpelijk, want bij de overheid hebben ze zo'n systeem al met een volksverzekering (AAW) als onderbouw en een ABP-invaliditeitspensioen als bovenbouw. De AbvaKabo wil over dat laatstgenoemde “bedrijfstakpensioen” onderhandelen met de werkgever (de overheid).

Afgelopen week sloot ook de FNV Dienstenbond (96.000 leden) zich bij deze visie aan en werkte die nog wat verder uit. Voor verzekering tegen de risico's van ziekte en arbeidsongeschiktheid wil de FNV Dienstenbond volgens voorzitter drs M.P.F. Spanjers aansluiten bij het SER-voorstel om de ziektewet te verlengen van de huidige één tot drie jaar. “Dat mogen er van mij ook wel vijf worden”, zegt Spanjers. “In onze bedrijfstak valt 50 tot 70 procent van de werknemers uit als gevolg van oververmoeidheid en stress. Die moet je als het kan weer bij dezelfde werkgever aan de slag zien te krijgen. Een verlengde ziektewet biedt daartoe de beste garantie. Die houdt werkgevers verantwoordelijk voor de gezondheid van hun werknemers.” Na de 5 jaar Ziektewet zou dan een basisstelsel moeten komen met een Algemene Arbeidsongeschiktheidsverzekering (AAW) als volksverzekering op het niveau van 70 procent van het minimumloon en daarboven een door de sociale partners geregelde en uitgevoerde WAO naar het model van het aanvullend ouderdomspensioen. Bij werkloosheid krijgen werknemers volgens het model van de Dienstenbond 70 procent van het minimumloon als uitkering, gefinancierd uit de bruto toegevoegde waarde (BTW). “Door de premies volksverzekering te heffen over de toegevoegde waarde en niet over de loonsom kunnen de loonkosten lager uitvallen”, zegt Spanjers. “Dat komt de werkgelegenheid ten goede, zeker in onze arbeidsintensieve bedrijfstak”. Met hoeveel de BTW zou moeten stijgen heeft zijn bond nog niet uitgerekend.

Bovenop de basisverzekering voor werkloosheid komt dan een collectieve inkomensderving-verzekering tot een maximum, op basis van een kaderwet. Deze kaderwet geeft spelregels voor de sociale partners, waaraan zij zich bij het maken van afspraken over aanvullende verzekeringen tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid hebben te houden. De kaderwet geeft ook sociale zekerheid aan werknemers die niet onder een CAO vallen, zoals oproepkrachten en andere vormen van flexibele arbeid, die vooral in de dienstensector snel opgang maken. Naarmate werkgevers meer gebruik maken van flexibele arbeidskrachten zullen ze volgens het model van de Dienstenbond meer premie moeten betalen. Deze premies gaan in een pot, waaruit flexibele werknemers bij ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid een uitkering krijgen. Naarmate flexibele werknemers langer werken bouwen ze meer individuele rechten op een uitkering op. Zo worden financiële prikkels ingebouwd voor werkgevers èn werknemers. Voor werkgevers om zoveel mogelijk werknemers in vaste dienst te nemen; voor werknemers om zo lang mogelijk te werken.

Als derde trap geldt ook in het model van de Dienstenbond de “aanvullende individuele verzekering, door de werknemer vrijwillig aan te gaan met een particuliere verzekeraar” (model koopsompolis).

Volgens Spanjers is ook de Bouw- en Houtbond FNV (160.000 leden) voor dit model te porren. Ook de Vervoersbond zal waarschijnlijk instemmen, verwacht hij, zodat binnen de FNV een grote meerderheid voor een basisstelsel in de sociale zekerheid is. De Industriebond FNV (240.000 leden) heeft een afwijkende stellingname. Deze grootste bond in de marktsector is weliswaar ook voor een basisverzekering tegen de risico's van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, waarvoor de overheid garant staat, maar wil daar bovenop voor haar leden individuele aanvullende sociale verzekeringen afslutien bij de aan de vakcentrale gelieerde verzekeraar Proteq. Volgens Spanjers brengt dat allerlei nadelen met zich mee, die de Dienstenbond niet voor haar rekening wil nemen. Binnen de beleidsadviesraad voor sociale zekerheid van de FNV praten de deskundigen al geruime tijd over een basisstelsel en het in eigen hand nemen van de bovenminimale sociale verzekeringen. Na Prinsjesdag (de derde dinsdag van september) wil de FNV met een eensgezinde opstelling naar buiten treden en zo het kabinet de loef afsteken. Dan ook rondt de SER haar stellingname met betrekking tot de werknemersverzekeringen af.

Behalve de FNV is ook de christelijke vakcentrale CNV (350.000 leden) voor een basisstelsel en overdracht van de aanvullende werknemersverzekeringen aan de sociale partners.

De werkgevers zijn aangenaam verrast door de plotselinge stroomversnelling in de discussie over de sociale verzekeringen bij de vakbeweging. Sociale zekerheidsdeskundige J.W. van den Braak van de Vereniging VNO-NCW: “De grondgedachte van een basisstelsel heeft kennelijk een groot draagvlak. In onze laatste nota over de sociale zekerheid uit 1994 zitten ook basisstelsel-achtige elementen. De eerste jaren leggen wij een zware prikkel bij werkgevers om zieke mensen weer aan het werk te helpen bij de eigen werkgever. Daarna wordt overgegaan op een collectieve basisuitkering, waarboven allerlei mogelijkheden voor aanvullende verzekering bestaan. Ook wij scharen ons dus bij die groep die kennelijk steeds groter wordt. De grondgedachte van een basisstelsel heeft momenteel zo'n groot draagvlak, dat ik niet snap dat het kabinet die niet grijpt.”

Van den Braak snapt dat temeer niet daar er in de politiek zelf eveneens een groot draagvlak voor is. De VVD maakte zich in haar laatste verkiezingsprogramma sterk voor een basisstelsel, waarbij de basisuitkering gelijk is aan 60 procent van het minimumloon. Uitkeringen boven het basisniveau zijn mogelijk door vrijwillige aanvullende verzekeringen in de particuliere sector (inclusief afspraken tussen sociale partners in CAO's). Het CDA is net als het CNV voor overdracht van (bovenminimale) werknemersverzekeringen aan sociale partners. D66 stelt in haar verkiezingsprogramma dat “de overheid in de eerste plaats verantwoordelijk is voor de bescherming van het minimum inkomensniveau op een behoorlijk peil”.

De PvdA reageert nog steeds neurotisch als het woord WAO wordt gebruikt en al helemaal wanneer er over mini- of basisstelsel wordt gesproken, dat men associeert met lagere hoogte van uitkeringen. De WAO-zomer van 1991 heeft grote littekens achtergelaten. Toch zal ook deze partij gaan bewegen in de richting van een basisstelsel. Zeker als de door enkele Kamerleden op handen gedragen vakbeweging voor zo'n stelsel kiest.

Dan zullen ook Kok en Linschoten niet anders kunnen dan hun gewraakte voorstellen voor een andere WAO intrekken en vervangen door de inmiddels gemeengoed geworden sociale zekerheidsfilosofie van een basisstelsel.