De tomeloze ambitie van een dijkbouwer

De Duitse schrijver Theodor Storm staat te boek als een poëtisch realist. Maar in zijn roman De schimmelruiter blijkt hij eerder een impressionist: “Waar de schilders de werkelijkheid zochten in de lichtreflecties op de door hen af te beelden voorwerpen, daar gaat Storm niet verder dan het beschrijven van wat hij aan de buitenkant waarneemt.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn gegaan.

Theodor Storm: De schimmelruiter. (Der Schimmelreiter) Vert: Kees de Both. Uitg. Veen. Te koop voor ƒ 5,95 bij De Slegte.

De handboeken delen hem in bij het 'poëtisch realisme'. Dat zal wel de reden zijn dat zijn naam tot diep in de vijftiger jaren op menige, van bovenaf gemanipuleerde leeslijst voorkwam. Want wat poëtisch is kan niet gevaarlijk zijn en realisme leest lekker weg. En inderdaad, nog steeds hangt er een geur van burgerlijke braafheid om de naam van Theodor Storm. Benauwender zelfs nog dan toen, sinds de rozen van vlees en de Jan Cremers hun opmars in de schoollokalen begonnen. Dat is - men kon het in het kader van deze rubriek al bevroeden - natuurlijk geheel ten onrechte. Sla er bijvoorbeeld Storms laatst geschreven novelle Der Schimmelreiter maar eens op na die in 1991 onder de titel De schimmelruiter in een vertaling van Kees de Both verscheen.

De schimmelruiter behelst de geschiedenis van een tomeloze ambitie. Die van Hauke Haien in dit geval die, begonnen als boerenknecht, het in zijn hoofd heeft gezet zijn Noordfriese land te verrijken met een buitendijkse inpoldering die de eeuwen zal trotseren.

Nu speelt de kern van deze raamvertelling zich af in het achttiende-eeuwse Sleeswijk Holstein; dat viel in die tijd nog onder de Deense kroon. En als men dan bedenkt dat de jurist Storm zelf nog de nadagen van het Deense bewind heeft meegemaakt en wegens zijn politieke activiteiten een tijd in ballingschap heeft moeten leven, dan lijkt de toon in het Wilhelminische Duitsland van zijn tijd gezet. Een ronkend relaas over bloed en bodem waaraan de Duitse onderdaan een krachtig gevoel van eigenwaarde kon ontlenen en dat hem, tureluurs wordend van de industriële en economische expansie, aangenaam kon doen vermeien in de gelukzalige tijden van weleer.

Inderdaad valt niet te ontkennen dat de in het hart van het Noordfriese land geboren Storm wel een tikje last had van nostalgische gevoelens. Als bij zijn voorgangers, zoals Droste-Hülshoff, Keller en Stifter, vormen landschap, geschiedenis en volk de dramatische impuls tot zijn schrijverschap. Maar er is, als bij genoemden, sprake van meer. Van een niet gering schrijverschap waarmee de auteur, met de beheersing van zijn ambacht, in staat is de nodige distantie van zijn privégevoelens op te brengen, waarbij het accent méér op de psychologische inleving in zijn personages komt te liggen dan op een irrationeel bloed-en-bodem gezwijmel.

En toch - hoe dubbelzinnig is de kunst: ook in zijn schimmelruiter gaat Storm de premoderne wereld van mythes, sagen en legendes niet uit de weg. Maar ook, hoe subtiel weet hij die wereld in te bedden in een ook nog voor ons aanvaardbaar psychologisch kader.

Hauke Haien is, misschien wel in tegenstelling tot zijn schepper, een rationalist pur sang. Dat hij, als berijder van een appelschimmel, ruim anderhalve eeuw later in de verbeelding van zijn creator komt opdraven en zo de aanleiding wordt tot zijn, door een schoolmeester navertelde levensverhaal, dat blijkt nu juist de essentie van zijn geschiedenis te zijn. De frictie tussen de moderne tijd en het verleden.

Er draven heks-achtige wezens op, er is sprake van oude volksgebruiken. Storm laat ze de revue passeren met een laconisme dat aan de terloopsheid van de Grimmse volkssprookjes doet denken. Dat het, om maar iets te noemen, in het Noordfriese land een oud gebruik was een levend kind in een nieuw aan te leggen dijk te begraven: Storm constateert het met de nuchterheid van de jurist.

Maar het is de kracht van de schrijver die een wezenlijke en onsprookjesachtige transformatie van dit thema levert. De rationalist Hauke Haien weigert aan dit oude volksgebruik toe te geven. Zijn dorpsgenoten zien in dit verzaken een opstand tegen de goddelijke orde en, verdomd, het gezin van dijkgraaf Haien wordt gestraft met een kind dat aan het syndroom van Down lijdt. Waaraan ik, tussen haakjes, toe zou willen voegen dat het woord 'mongool' in Storms tijd nog niet bestond, maar dat de schrijver tot een heel wat liefdevollere beschrijving van deze patiëntjes weet te komen dan wij, met onze eufemismentaal, tegenwoordig weten te bedenken.

Het hoeft, indachtig de toenmalige vertelconventies, geen betoog dat Haike, vrouw en kind een droevig einde vinden in het kolkende Noordzeewater. Maar Haukes dijk houdt het. Ten koste van hoeveel? lijkt Storm zich af te vragen. En daar heb je het weer: die dubbelzinnigheid van motieven, de spanning tussen de auteur en zijn personages.

Als aankomend jongeling las ik Theodor Storm zoals mijn leraren hem bedoelden: als de opa op zijn praatstoel die het album van zijn jonge jaren nog eens doorneemt. Inmiddels heb ik me het oordeel van Storms collega's Fontane en Thomas Mann aangetrokken, beiden grote speurneuzen in de krochten van de menselijke ziel. Zij zagen in Storm hun evenknie. En, wellicht in sterkere mate dan bij Mann, vond bij Storm, die in dat opzicht meer verwant lijkt met Fontane, de verzwegenheid een adequate uitdrukkingsvorm in de gehanteerde stijl. Waar Mann nogal eens ouderwets breedsprakig in zijn psychologische peilingen wil zijn, daar is Storm, als Fontane, een wonder van 'oppervlakkigheid'. In de zin waarin de impressionistische schilders 'oppervlakkig' waren.

Waar de schilders de werkelijkheid zochten in de lichtreflecties op de door hen af te beelden voorwerpen, daar gaat Storm niet verder dan het beschrijven van wat hij aan de buitenkant waarneemt. En dat blijkt heel diep te kunnen gaan: tot in het hart van het raadsel dat mens heet.

    • Louis Ferron