De toekomst is voor slappelingen; In memoriam E.M. Cioran

Zijn wereldbeeld was allesvernietigend, maar die visie verwoorde de afgelopen maandag overleden filosoof E.M. Cioran zo haarscherp en prikkelend dat zijn proza onweerstaanbaar was. “ Ondanks de eenzaamheid en de mensenhaat die van alle bladzijden afspringt was Cioran een gezelligheidsmens, een gedreven prater, bereid om op bijna alle vragen antwoord te geven.”

'Terwijl ik mij vroeger, staande bij een dode, de vraag stelde: 'Wat heeft het voor zin gehad dat hij geboren werd?' zo vraag ik mij dat nu bij iedere levende af.' De eerste zinnen die ik van hem las ontvlamden als nét afgestreken lucifers. Het was le quatorze juillet 1979 en bij hoge uitzondering was ik toegelaten tot de geheime slaapkamer in het Parijse appartement van een afwezige joodse OESO-ambtenaar uit New York. Op de grond, op bed, op de nachtkastjes, op een commode - overal stonden, lagen of zaten pluche konijnen in kleine groepjes bij elkaar. Sommige droegen Nazi-insignes. De Duitse journaliste die me dit very excentric 'tableau presque-vivante' liet zien was in de greep van de boeken van een uit Roemenië afkomstige Parijse Geheimdenker, E.M. Cioran, met wie zij kort voordien in contact was gekomen. Daar, in die curieuze slaapkamer, zat zij elke dag urenlang bij het open raam in de verzengende julizon te lezen, druk zinnen onderstrepend en regelmatig een opgewonden 'ja' - met uitroepteken - in de kantlijn noterend. Het ging om een schrijver, zei ze, een 'mysticus', die alles doorzien had, en die ravissant helder een op handen zijnde chaos en ineenstorting onder woorden bracht, 'zo fundamenteel... dat elke linkse maatschappijkritiek verbleekt als intellectuele prietpraat van een paar blinde naïevelingen.'

Het woord doemdenken bestond nog niet toen ik met een mengsel van scepsis, opwinding en herkenning een essay opsloeg waarin Cioran begon met de zin: 'In elke metropool waarin het toeval mij terecht doet komen, verwonder ik mij over het feit dat er niet elke dag opstanden plaatsvinden, massamoorden, anonieme slachtpartijen, apocalyptisch chaotische taferelen. Hoe kunnen in zo'n beperkte ruimte zoveel mensen bij elkaar wonen zonder elkaar af te maken, zonder elkaar dodelijk te haten? Natuurlijk haten ze elkaar, maar niet tot het uiterste. Deze middelmatigheid, deze verdoving, redt de samenleving en verzekert haar voortbestaan. Van tijd tot tijd doet zich iets schokkends voor, ter genoegdoening van onze instincten; daarna gaan we voort met elkaar in de ogen te kijken alsof er niets is gebeurd, en met samen te leven zonder elkaar al te opzichtig te verscheuren.'

Het essay stamde uit 1960! De vooravond van een decennium waarin een hoopvolle verbeelding een nieuwe generatie links bezielde. Een verbeelding die ondanks enkele schermutselingen en modieuze zwartgalligheid tezamen met een groeiende welvaart broederlijk uitdijde, en die eind jaren zeventig was getransformeerd tot een nog altijd goedwillende en inmiddels goedbetaalde vorm van professioneel handelen en bijbehorende verbale diarree waarmee een hele horde de wereld kritisch zou humaniseren. Spreiding van macht, kennis en inkomen was het toekomstdevies. Gelijke kansen!

'Alleen voor melkmuilen en fanatici heeft de toekomst nog iets verlokkends. (-) Wij zijn meer verrot dan alle tijden tot nu toe, meer dan welk rijk ook in verval. (-) Het doek van de wereld is kapotgevreten en door de gaten ontwaart men niets dan maskers en schimmen.'

De konijnen om mij heen kregen ineens betekenis.

Elders werd duidelijk dat met 'de wereld' vooral de Westerse wereld werd bedoeld; dat de vitaliteit, de 'instincten' die de geschiedenis dynamiek geven,in Oost-Europa, vooral in Rusland, 'waar men zich ten onrechte blind staart op het Westen', nog volop sluimerden en binnen niet al te lange tijd tot uitbarsting zouden komen. 'Zelfs in Joegoslavië, Bulgarije en Roemenië, landen die slechts korte opflikkeringen kenden - zonder gevolgen.' Die landen zouden nog van zich doen spreken, dankzij 'die hang naar verwoesting, naar innerlijke chaos, naar een wereld als een brandend bordeel;' dankzij 'dat sardonisch uitzicht op voorbije en toekomstige catastrofes; die bitsheid; dit farniente van slapelozen en van moordenaars (-)'

Eruditie

Wie was deze man die behalve van een alles verterende Weltanschauung en een haarscherpe - veelal profetische - formuleringskracht ook blijk gaf van een ongekende eruditie? Die in twee, drie zinnen leek te kunnen doordringen in de ziel - niet alleen van onze tijd - maar ook van klassieke filosofen, van Heiligen, van Oosterse denkers, Russische schrijvers; die de hele Duitse, Franse, Spaanse literatuur en filosofie lucide in verband kon brengen met de psychologie, de biografie en de kennis van haar auteurs en met het historische niveau en het karakter van de volkeren die hen hadden voortgebracht?

Terwijl ik dit schrijf onderga ik opnieuw de fascinatie van toen, die onbedwingbare behoefte om met hem te praten, en eenzelfde onbedwingbare neiging de nog altijd brandende kwestie op te werpen: hoe is het mogelijk dat hij zo weinig en zo slecht wordt gelezen? Vanwege zijn pessimisme? Menigeen heeft mij verzekerd na enkele bladzijden Cioran niet meer verder durven, uit angst al te zeer te worden meegesleept.

Als ik aan hem terugdenk, aan de talloze gesprekken die we hebben gevoerd, aan alle keren dat we samen hebben gegeten, aan de nachtelijke wandelingen door 'het Zesde', overheersen zijn aandoenlijke verwondering over allerlei actuele gebeurtenissen, meestal gevolgd door trefzekere analyses, vervat in een of twee zinnen, maar vooral zijn hartelijkheid, zijn scherpzinnige humor, zijn verontwaardigd commentaar op 'het uitschot van Parijs', zijn heftige hypochondrische uitlatingen: 'vernietigen, àlles willen ze vernietigen! De mensheid gaat ten onder! Veel eerder dan men dénkt! De mens kan geen maat houden, staat altijd bloot aan de verleiding om verder te gaan.' Of: 'De Russen zijn zó dom! Ze zouden vandaag nog Parijs kunnen binnenmarcheren. Niemand zou ook maar iets ondernemen!'

Zijn heldere uiteenzetting staat me nog voor de geest, op het trottoir van de Rue Casimir Delavigne, over de vraag waarom Dostojevski zijn crises wel de baas werd, en Tolstoj niet. Evenals zijn komische droom over Jalta, waarin hij Stalin, Churchill en Roosevelt hoogst persoonlijk waarschuwde voor hun historisch onmogelijke verdeling van de wereld. Of zijn bekentenis welke betekenis Maria Zambrano voor hem heeft gehad, de enige vrouwelijke filosoof die hij serieus nam. Of het verhaal over hoe Josif Brodski hem op straat herkende en chocola kocht om naar Ciorans broer in Roemenië te sturen.

Ondanks de eenzaamheid in zijn werk en de mensenhaat die van alle bladzijden afspringt was Cioran een gezelligheidsmens, een gedreven prater, bereid om op bijna alle vragen antwoord te geven, sommige vond hij voelbaar indiscreet en wist hij handig te omzeilen.

Voetstuk

Bij onze eerste ontmoeting - november 1979 - hebben we drie dagen gepraat. Over Marx, Nietzsche, Freud, Boeddha, Christus, Kierkegaard, thema's die ik wijsneuzerig nieuwsgierig ter sprake bracht om vervolgens antwoorden te krijgen, statements, die schitterden als diamanten. Aanstekelijk kon hij vertellen over zijn mateloze bewondering voor Dostojevski en diens 'disciple' Sjestov, smalend over zijn afkeer van Sartre of van Ceausescu, toen nog twee helden van links die jaren later, precies zoals Cioran voorspelde, om uiteenlopende redenen van hun voetstuk zouden vallen; indringend verhaalde hij over zijn heftige jeugd in Roemenië waar hij, na jaren van slapeloosheid op 21-jarige leeftijd Op de toppen van de wanhoop schreef, anekdotisch over zijn vriendschappen met Beckett, Eliade, Max Ernst, Michaux, Ernst Jünger, Octavio Paz. Elke dag belde Eugène Ionesco. Ten prooi aan depressies en ten einde raad wilde de bekende toneelschrijver absoluut zelfmoord plegen. Cioran, die vanaf zijn jeugd de zelfmoord had aangeprezen als de best denkbare oplossing, hield hem daar vanaf. 'Dat heeft nog geen zin, dat kan altijd nog.'

Schreef Cioran werkelijk alleen maar 's nachts? In totale eenzaamheid? Zijn levensgezellin Simone vertelde ooit hoe zij vroeger, als zij 's middags thuiskwam van haar werk ('Thuis' waren twee hotelkamers waarin zij samen met hem meer dan twintig jaar woonde) als eerste de ramen opengooide omdat de snijdende rook waarin Cioran had zitten schrijven niet te harden was. 'Hij hield de ramen potdicht uit angst verkouden te worden.'

Cioran is niet afgelopen dinsdag gestorven, zoals alle belangrijke Europese kranten deze week schreven, maar maandagmorgen, enkele minuten voor half negen. Simone had de hele nacht bij hem gewaakt en was even naar huis gegaan om te ontbijten en omdat ze een belangrijk telefoontje verwachtte. Toen het toestel rinkelde kreeg ze het ziekenhuis aan de lijn.

Bijna alle bladen brachten het nieuws op de voorpagina, een gegeven dat zestien jaar geleden ondenkbaar was geweest. Niemand las hem. 'Ik heb in heel Parijs vergeefs naar een boek van u gezocht' zei de vrouw van Beckett ooit tegen hem.

Maar de scherpe bewoordingen waarmee hij in paginagrote artikelen wordt uitgezwaaid ten spijt: de werkelijke receptie en kritische studie van Ciorans werk moet nog beginnen, ondanks de talloze essays waartoe het illustere tijdgenoten heeft aangespoord en tientallen proefschriften van begeesterde studenten. Want, zoals zijn vriend Constantin Tacou van de uitgeverij l'Herne het uitdrukte, 'het wekt bewondering, opstand, het keert je ondersteboven, wat weet ik, maar het heeft ons nimmer doen geloven dat we ook maar in zijn buurt kunnen komen. (-) Na bijna veertig jaar authentieke vriendschap blijft hij voor mij nog altijd onnavolgbaar.'

Vanmiddag is Cioran begraven, op Montparnasse, na een rouwdienst in de Roemeens-orthodoxe kerk in Parijs. Cioran was net als Nietzsche de zoon van een priester. Reden genoeg vond Simone om zijn dood enkele dagen geleden kerkelijk te laten bezegelen. Bijna was de dienst niet doorgegaan, de twee popes van de kerk waren verwikkeld in hevige ruzies.

Cioranesker kan het nauwelijks. Zou hij er kennis van kunnen nemen, hij zou in schaterlachen uitbarsten. 'Onmogelijk', zou hij roepen, 'onmogelijk, deze priesters.'

Adieu Cioran, adieu, et merci.