De scheve blik van kleine zielen; De Sparks, de geboren verliezers van de popmuziek

Ironie en popmuziek verdragen elkaar slecht. Het Amerikaanse popduo de Sparks, dat zondag tijdens het Parkpopfestival in Den Haag optreedt, heeft daarom nooit serieuze aandacht gekregen. Hun ironische en absurde teksten gaan over mensen die altijd de boot missen maar nooit tragisch zijn. “Het optimisme van de Sparks is even krankzinnig als onverwoestbaar.”

Sparks: Gratuitous Sax & Senseless Violins. BMG, 74321232672. De Sparks treden op 25 juni op tijdens het Parkpopfestival in Den Haag.

De wereld is een labyrint, je bent hopeloos verdwaald, nergens vind je houvast, maar wie kom je onderweg niet allemaal tegen? Daar zijn Sid Vicious, Madame Mao, Scarlett O'Hara, Ted Turner, Charles Dickens, Hillary Clinton. Je leven is mislukt, maar je droomt ervan 'My Way' te zingen zoals Frank Sinatra. Kijk, daar heb je Tsui Hark, regisseur van Shanghai Blues en Once upon a time in China, Part 1, Part 2, Part 3, Part 4, Part 5. En ergens op het Amerikaanse platteland ontmoet je de dolende geest van Liberace, die 's nachts rondwaart in slapende stadjes en 'Moon River' en 'Michelle' neuriet ('Sometimes he blinds the drivers with his shiny suits.')

Het is een wereld vol onvervulde verlangens en onmogelijke dromen - en onmiskenbaar de wereld van de broers Ron en Russell Mael, alias de Sparks. Luisterend naar hun laatste cd, Gratuitous Sax & Senseless Violins, die hen zowaar weer een paar bescheiden hits heeft opgeleverd, weet ik het zeker: de Sparks zijn terug van nooit weggeweest. Ze zijn dan misschien een dik decennium uit de schijnwerpers verdwenen, ze hebben wellicht een tijdlang hun toevlucht gezocht bij piepkleine platenlabels en onzichtbaar opgetreden in onvindbare zalen met geflopt repetoire, en ik had hun oude platen dan wel jarenlang niet gedraaid, maar hun wereld, of zeg maar gerust universum, was steeds daar, onveranderd en nog even absurd en onberekenbaar als in 1974, het jaar van hun gierende hit 'This Town Ain't Big Enough For The Both Of Us'.

Dat ze er nog zijn na al die jaren is geen kwestie van uithoudingsvermogen, dat spreekt vanzelf. Iedere andere act zou bij uitblijven van doorlopen succes allang voor een ander imago gekozen hebben, een andere pose. De Sparks zijn in al hun gemaaktheid gebleven wie ze waren, simpelweg omdat ze niet anders kunnen. Het heeft een tijd geduurd voordat het tot me doordrong, maar het is me duidelijk: Ron en Russell Mael zijn levende archetypen. Na ruim twintig jaar blijkt alles nog hetzelfde te zijn; Ron heeft nog altijd zijn achterover gekamde haar, zijn louche snorretje en zijn stijve witte overhemd met stropdas en hij kijkt je nog even onbeweeglijk en achterdochtig aan over zijn elektrische piano. Hij geeft nog steeds geen krimp. Russell, in alles zo nadrukkelijk zijn tegenpool, met zijn fatterige gezicht en ijle vocalen, straalt onveranderlijk een verlangen naar een zwierige wereldsheid uit, naar eeuwige jeugd en vanzelfsprekende glamour, verlangens die nooit in vervulling zullen gaan.

Want de wereld van de Sparks mag dan wemelen van de grote namen met boeiende levens, zelf zijn de Amerikaanse broers geboren verliezers. Met een opgewekt masochisme hebben ze zich hun hele muzikale loopbaan lang in de rol van kneus laten duwen. In hun briljante teksten, korte absurde en ironische monologen meestal, wordt altijd naar de grote wereld gekeken met de scheve blik van kleine zielen, mensen die van nature zijn voorbeschikt zijn tot een leven van nietigheid en onvermogen, die altijd en eeuwig de boot zullen missen. Daar gaat ook hun laatste hitje weer over, 'When Do I Get to Sing 'My Way'', een Sparksnummer bij uitstek: 'No, no use in lecturing them, or in threatening them, they will just say 'who are you'(-) No, no use in taking their time or in wasting two dimes on a call to God knows who/ When all you feel is the rain and it is hard to be vain when no person looks at you/ So just be gracious and wait in the queue/ So when do I get to sing 'My Way'/ When do I get to feel like Sinatra felt?

En zo is het altijd geweest, meer dan twintig jaar lang. In 'Miss The Start, Miss The End', een nummer uit de glorietijd van de jaren zeventig, zingt Russell vol bewonderende afgunst over de VIP's die het zich op feestjes en bij voorstellingen kunnen veroorloven te laat te komen en voor het einde weer verdwenen te zijn. Bij de Sparks zijn het vrijwel altijd de anderen die hun dromen moeiteloos verwezenlijken, de anderen die achteloos rijk, beroemd en elegant kunnen zijn. Ron en Russell - en ons, natuurlijk - wacht hoogstens de aangename vernedering van het ademloos toekijken, het eeuwige wachten op wat wel nooit zal komen. Maar dat is beter dan niets.

Wanhopig

Nog een mooi voorbeeld: 'I Thought I Told You to Wait in The Car', dat op hun laatste cd staat, is een lied dat geheel bestaat uit de licht wanhopige mijmeringen van iemand tegen wie gezegd is dat hij in de auto moest wachten. Op wie? Op een rijke, beroemde vrouw, zoveel wordt duidelijk uit de tekst, een behoorlijke bitch bovendien, die het zich kennelijk niet kan veroorloven haar vriend aan de wereld te tonen: 'I'll turn on the radio/and look at myself in the rear-view mirror/ I know she has an image to protect/ I know she is not just being mean when she screams.' Terwijl de verstopte vriend gelaten zit te wachten, bouwt zijn vriendin aan een wereldcarrière ('What's she doing now/ Meeting leaders of the free world'). Het zal Madonna wel zijn.

Ook Tsui Hark, de Chinese regisseur van pulpfilms, wiens beknopte curriculum vitae met zijn opsomming van imitaties van westerse kassuccessen voldoet als een hilarische songtekst ('Chinese Ghost Story, Part 1, Part 2, Part 3'), is een volwaardig Sparks-personage. En het zijn niet alleen zielige mensen met wie de Sparks zich graag vereenzelvigen: in het vroege 'Bon Voyage' verplaatsten ze zich in de dieren die moeten achterblijven en vol stille berusting de ark van Noach uitzwaaien.

Maar de personages die Ron en Russell Mael bezingen zijn nooit tragisch: ze koesteren hun dromen hartstochtelijk. En wanneer die dromen toevallig eens uitkomen, valt het vanzelfsprekend altijd tegen. Al op hun eerste plaat, Kimono My House staat een lied waarin iemand schoorvoetend moet toegeven dat het wel een beetje saai is in de hemel zonder zijn geliefde ('Here, there are many many sheep, and everybody sleeps'). En de man die op hun nieuwe plaat eindelijk hoofd van de BBC wordt ('Now That I Own The BBC') weet dan helemaal niet wat hij ermee aan moet: 'Hey, Ted Turner, help me out.' Maar het optimisme van de Sparks is even krankzinnig als onverwoestbaar: 'Somewhere there is hope/Somewhere there are dreams'.

Die mengeling van absurdisme en empathie maken de Sparks tot meer dan een eendagsvlieg, of liever, tot de eendagsvlieg die het zo verbazingwekkend en voor mij onweerstaanbaar lang heeft uitgehouden. Hun muziek is altijd een ratjetoe van stijlen geweest, ooit snerpende gitaren in krakkemikkige rockarrangementen, en nu op hun nieuwe plaat weer een stevige computergestuurde beat, die we al eerder gehoord hadden op hun voorlaatste succes in Nederland, 'No 1 in Heaven', een plaat uit het begin van de jaren tachtig (en waarvan de Pet Shop Boys, merk je achteraf, zo ongeveer alles hebben gejat en vervolgens wel heel erg dunnetjes hebben overgedaan). Echt serieus zijn ze nooit genomen en ze lijken er zelf ook zo'n beetjes alles aan gedaan te hebben om dat te voorkomen.

Door hun hits in de jaren zeventig worden de Sparks tot de rock gerekend, maar hun muziek is veel te eigenzinnig om in het corset van welk genre dan ook te passen. Het commentaar van Russell Mael op een van hun nummers van hun verzamel-cd The Hell Collection, zegt wel genoeg: “Soms scheppen we een groot genoegen in het schrijven van nummers over dansen die volledig ongeschikt zijn om op te dansen.”

Popmuziek en ironie verdragen elkaar slecht. Het lijkt me niet dat het rammelende, bizarre oeuvre van deze Gilbert & George van de rock 'n' roll ooit op de serieuze aandacht van pophistorici zal mogen rekenen. Ik vind dat helemaal niet erg. Een plaat van de Sparks zet je niet op als arbeidsvitaminen en hun liedjes speel je ook niet eenzaam in je jongenskamer op je gitaar: het is misschien niet in de eerste plaats muziek, maar eerder een soort voorstelling, waarvoor je het tekstboekje goed moet bestuderen, anders mis je de helft. Zoiets als een plaat van Laurie Anderson, maar briljanter. De muziek van de Sparks is speels, experimenteel, ongrijpbaar, ontroerend, opzettelijk debiel, briljant, direct herkenbaar, vol wereldse verwijzingen, maar in laatste instantie altijd een wereld op zichzelf. Gewoon kunst, dus.