De Boer en Jorritsma overtuigen oppositie

DEN HAAG, 23 JUNI. De ministers De Boer (milieu) en Jorritsma (verkeer en waterstaat) hebben gisteravond de oppositie ervan kunnen overtuigen dat zij de Tweede Kamer niet hebben misleid. De fracties van GroenLinks, GPV en CDA hadden die beschuldiging geuit naar aanleiding van uitlatingen van minister De Boer, gisteren in het dagblad Trouw.

De Boer had daarin verklaard dat zij en Jorritsma reeds voor het Kamerdebat over de uitbreiding van Schiphol een “compromis” met de regeringsfracties hadden gesloten, terwijl het kabinet naar buiten toe de indruk wekte dat er sprake was van een gescheiden optrekken van kabinet en regeringsfracties.

In een spoeddebat gisteravond accepteerde de oppositie de uitleg van De Boer en Jorritsma. Die kwam erop neer dat zij weliswaar in de dagen voorafgaand aan het plenaire debat over Schiphol contact hadden gehad met de regeringsfracties, maar dat dit nergens toe had geleid. Daarop hebben de drie fracties zelf een compromis bedacht.

Afgelopen maandag deden De Boer en Jorritsma de woordvoerders van de drie fracties een suggestie over een andere aanpak van het zogeheten nachtregime voor Schiphol. Het voorstel van de ministers hield in, dat gedurende drie jaar het nachtregime met een uur wordt verlengd, van 23.00 tot 07.00 in plaats van tot 06.00 uur. Een gedurende die jaren uitgevoerd onderzoek moest uitwijzen of deze verlenging ook definitief in de Luchtvaartwet moest worden geregeld.

Die suggestie werd maandag door de PvdA afgewezen. Een dag later ging die optie echter toch weer een rol spelen, omdat ook de andere coalitiepartijen enkele wensen over de uitbreiding van Schiphol inslikten. Dat gebeurde in een totaalpakket dat door de regeringsfracties was voorbereid en waarvan het kabinet aanvankelijk geen weet had, aldus de Boer en Jorritsma gisteravond. Van het door de oppositie gemaakte verwijt van “achterkamertjespolitiek” was daarom geen sprake, aldus De Boer.

GPV-fractiewoordvoerder Schutte die samen met GroenLinks het debat had aangevraagd, concludeerde dat “de besluitvorming niet vrij van monistische smetten” is geweest.