Beurs profiteert van omwenteling bij pensioenfonds; ABP moet bestaansrecht bewijzen

Per 1 januari moet de grootste privatisering uit de Nederlandse geschiedenis zijn beslag hebben gekregen. Het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds maakt zich na ruim 70 jaar van gedwongen winkelnering op voor de slag op de vrije markt.

HEERLEN, 23 JUNI. Het ABP, met een vermogen van 191,7 miljard gulden het tweede pensioenfonds ter wereld, zorgt sinds 1922 door fondsvorming voor de financiering en uitvoering van de ambtelijke pensioenvoorzieningen. Aan de daarmee gepaard gaande uitzonderingspositie ten opzichte van de andere Nederlandse pensioenfondsen, komt nu snel een eind. Voornaamste aanleiding is de het laatste decennium onstane overtuiging bij sociale partners in overheid en onderwijs èn in de politiek, dat werknemers in overheidssectoren dezelfde rechten en verplichtingen moeten hebben als werknemers in de marktsector. Om dat te realiseren brengt de regering per 1 januari 1998 de overheidswerknemers onder de werknemersverzekeringen. Onvermijdelijke consequentie daarvan was de privatisering van het eigen pensioenfonds voor de overheids- en onderwijswerknemers, ofwel het ABP.

De omstandigheden waaronder het pensioenfonds opereert veranderen daardoor fundamenteel. Garandeerde de gedwongen winkelnering het ABP een gerieflijke positie, na de privatisering is die vanzelfsprekende toestroom van premies voorbij. Ook al geldt een overgangsregeling, alle huidige aangesloten organen blijven nog tot 2001 bij het fonds, het ABP kan zich niet langer veilig wanen en moet in hoog tempo de slag maken 'van uitvoerder naar ondernemer', zoals het gisteren gepubliceerde jaarverslag vermeldt.

Achter dat zinnetje gaat een groot veranderingsproces schuil, dat sinds september vorig jaar onder leiding staat van drs. J.W.E. Neervens. Als directievoorzitter leidt hij de omvorming van de logge, bureaucratische organisatie en cultuur van het ABP tot een klantgerichte, slagvaardige instelling. Neervens, voorheen werkzaam bij het Sociaal Fonds Bouwnijverheid: “Ik heb het intern weleens zo gezegd: de nieuwe systemen zijn bijna klaar. Ofwel de konijnenhokken zijn vertimmerd. Nu moet nog het gedrag van de konijnen veranderen”. De impact van dergelijke statements blijkt soms snel, ervoer Neervens. “Binnen een week kreeg ik een kilo winterwortels overhandigd. Voor het grootste konijn Per 1 januari wordt het ABP een stichting die net als alle andere Nederlandse pensioenfondsen onder de Pensioen- en Spaarfondsenwet valt. Althans, als de tweede en ook eerste kamer de Wet Privatisering ABP (WPA) voor die tijd goedkeuren. Neervens heeft daar een hard hoofd in: “Onverhoopte vertraging betekent een groot bestuurlijk en managerial afbreukrisico en tast eveneens de geloofwaardigheid van ons en de overheid aan”.

De eerste mijlpaal op weg naar de privatisering werd vorig jaar bereikt met de financiële sanering van het ABP. De oude ABP-premie is in vieren gedeeld. Eén afzonderlijk premie voor het Ouderdoms- en nabestaandenpensioen (OP/NP), voor de VUT, voor de WAO en een voor het bovenwettelijke Invaliditeitspensioen. Tevens onstonden twee nieuwe fondsen. De VUT en de WAO zijn uit het ABP overgeheveld naar de Stichting Vut-fonds en het Fonds Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen voor Overheidspersoneel (FAOP). Beide fondsen werken voortaan volgens het omslagstelsel: lopende uitkeringen worden betaald door huidige premiebetalers.

De premies voor OP/NP en het bovenwettelijke invaliditeitspensioen blijven een taak van het ABP. Ook blijft daarvoor de financiering via het kapitaaldekkingsstelsel in tact. Uitgangspunt daarvan is dat inkomende premies worden belegd om aan toekomstige verplichtingen te kunnen voldoen. Door de overheveling van de VUT en de WAO is 8,5 miljard gulden vrijgevallen dat zal worden aangewend om de VUT-lasten voor werknemers te drukken, evenals de stijgende lasten voor de werkgever voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Belangrijke verandering is verder dat nu zonder inmenging van de overheid de besturen van de drie fondsen (ABP, VUT en FAOP) de hoogte van de premies vaststellen.

In maart al bereikten de sociale partners overeenstemming over het pensioenreglement voor het ABP nieuwe stijl. Als dat per 1 januari van kracht wordt vallen ook de wettelijke restricties weg bij het beleggen van thans ruim 185 miljard gulden. Bovendien, zo beklemtoont directievoorzitter Neervens, krijgen “we dan ruime mogelijkheden om de in de markt gewenste flexibliteit en individualisering van de pensioenen te bewerkstelligen.”

Bedreigingen voor het 3.300 werknemers tellende pensioenfonds liggen volgens Neervens vooral op het psychologische vlak: “We moeten nu veel in beweging zetten om net als onze concurrenten straks vaardig te zijn op het vlak van relatiebeheer en marketing.” Die transformatie gaat het ABP naar Neervens overtuiging zeker maken: “We moesten altijd rondjes lopen in de piste van het overheidscircus. Er is hier veel onbenut talent in huis, heb ik de laatste maanden gemerkt. Nu we de kans krijgen op eigen benen te staan, zullen we bewijzen dat het aantrekkelijker is de pensioenregelingen bij ons onder te brengen, dan elders.”

Aan het verbeteren van de service aan de verzekerden is volgens Neervens vorig jaar al veel vooruitgang geboekt. Zo werd het informatieblad ABP-nieuws geïntroduceerd en krijgen alle verzekerden voor het eerst een opgave toegestuurd van de opgebouwde rechten. Ook werd uitgebreid onderzoek gedaan naar de wensen van de overheidswerkgevers. Vanaf april is een team van 60 consulenten actief, dat fungeert als vast aanspreekpunt voor de individuele werkgever. Deze krijgt van het team steun bij de voorlichting op pensioengebied en informeert hem over de diverse regelingen. “Door dicht op de markt te opereren kunnen we de daar levende wensen vertalen in een betere service en nieuwe produkten”, promoot Neervens de nieuwe werkwijze.

Ook aan de kapitaalmarkt zal de privatisering van het ABP niet voorbij gaan. Het ABP krijgt veel meer vrijheid om naar eigen inzicht te beleggen. Dat is ook nodig stelt Neervens om in de toekomst een concurrerende premiestelling te kunnen doen. De komende vijf jaar vindt een immense verschuiving in de beleggingsportefeuille plaats, omdat naar het inzicht van het ABP zakelijke waarden als aandelen op lange termijn structureel hoger renderen als obligaties en onderhandse leningen. Het percentage zakelijke waarden wordt verdubbeld van 20 naar 40 procent. Daarvan zal 75 procent belegd worden in aandelen en 25 procent in onroerend goed. Ter indicatie: de aandelenportefeuille zal groeien van 23 miljard per ultimo 1994 tot 85 miljard rond de eeuwwisseling.

Goed nieuws voor de Amsterdamse beurs. Want, verzekerde Neervens: “Nederland blijft voor ons de hoeksteen van ons beleggingsbeleid.” Het ABP is volgens zijn directievoorzitter primair geïnteresseerd in het rendement. “Hoewel we niet op de stoel van de ondernemer plaats willen nemen, mag er echter geen onduidelijkheid over bestaan dat we tegen beschermingsconstructies zijn. We willen onze rol als aandeelhouder onbelemmerd kunnen innemen en volledig worden geïnformeerd.”

    • Hendrik Jan van Oostrum