Werkgevers en werknemers: meer geld voor technologie

DEN HAAG, 22 JUNI. Werkgevers en vakbeweging vragen van de overheid nog meer geld en initiatieven om de kennisintensiteit van de Nederlandse economie te vergroten. Dit zeggen ze in reactie op de gisteren door de ministers Wijers en Ritzen gepresenteerde nota Kennis in beweging.

De werkgevers vinden de maatregelen die het kabinet neemt om de kennisintensiteit te vergroten “onvoldoende”. Gistermorgen gaf de Vereniging VNO-NCW nog een positieve reactie af, gistermiddag waren de werkgevers, bij nadere lezing van de door Wijers (economische zaken), Ritzen (onderwijs) en Van Aartsen (landbouw) ondertekende nota ineens een stuk kritischer geworden.

VNO-NCW, waarin de meeste werkgevers zijn verenigd, verbaast zich erover dat in de technologienota de daling van de onderzoeksinspanningen in Nederland geheel op het conto van de ondernemingen wordt geschreven en wijst erop dat ook de overheid het laat afweten. Terwijl het technologiebudget van de overheid tussen 1990 en 1993 in nagenoeg alle andere rijke Westerse industrielanden is toegenomen met 5 tot 13 procent, is het in Nederland met 8 procent afgenomen.

Het kabinet heeft aangekondigd de achterstand op de 'kopgroep' van rijke landen te willen inhalen, waar het gaat om de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling in procenten van het bruto binnenlands produkt (bbp). Om het gemiddelde van de 25 rijkste Westerse industrielanden te halen, zo schrijven Wijers c.s., dient per jaar 2,5 miljard gulden meer in onderzoek en ontwikkeling te worden geïnvesteerd. Volgens VNO-NCW zijn dan sterkere stimulansen van de overheid nodig dan de 1,5 miljard gulden die de overheid er nu in vier jaar tijd in wil investeren.

Volgens VNO-NCW is een van de grootste problemen de versnippering en het gebrek aan samenwerking binnen de kennisinfrastructuur. De nota is volgens de werkgeversvertegenwoordigers “zeer onduidelijk” over hoe de versnippering en overlap hier moet worden tegengegaan. Vooral Ritzen zal volgens de werkgevers “meer daadkracht moeten tonen” om te komen tot een wijziging van de financieringssytematiek van het universitaire onderzoek.

In de nota schrijven de bewindslieden dat de uitgaven voor research and development (R&D) van bedrijven in Nederland “behoorlijk achter blijven”. Sinds 1987 is de R&D-intensiteit van het bedrijfsleven gedaald van 1,4 procent van het bbp naar 1 procent van het bbp in 1992. Tegenover elke gulden die in Nederland door de bedrijven aan R&D wordt uitgegeven, staat gemiddeld meer dan 1,60 gulden in de Oeso-landen, zo schrijven Wijers, Ritzen en Van Aartsen. De overheid staat er wat dat betreft volgens de bewindslieden juist beter voor. De R&D-inspanning in de publieke kennis-infrastructuur is in procenten van het bbp relatief hoog ten opzichte van het gemiddelde van de rijke industrielanden: 0,85 versus 0,65 procent. Wel geven de ministers toe dat “bij veel van onze concurrenten sprake is van voortdurende groei van de overheidsfinanciering van de R&D-inspanning in de publieke kennisinfrastructuur”. Wijers meldde gisteren in een interview met deze krant dat hij bij het kabinet om meer geld zal vragen als het nu uitgestippelde beleid een succes blijkt te zijn.

De vakcentrale FNV onderschrijft de stelling van Wijers dat louter concurreren op (loon)kosten voor Nederland onmogelijk is. De vakcentrale stelt bovendien dat nieuwe technologieën benut kunnen worden voor een goed milieubeleid, maar de overheid zou daarin een grotere rol aan zichzelf moeten geven, aldus de FNV.

Ook de Industie- en voedingsbond CNV toont zich tevreden met de nota. Wel mist de bond de instelling van een industrieel platform, waarin naast werkgevers ook vakbonden en overheid zitting hebben. Ook suggereert de Industrie- en voedingsbond CNV dat het industriefonds ingezet kan worden om de “kennisinfrastructuur te versterken”.