Verwerking verleden gebaat bij koloniaal museum

De verwerking van het Nederlandse koloniale verleden kan alleen geschieden door de historische feiten onder ogen te zien. Waar kan dat beter dan in een museum, vraagt Harm Stevens zich af. Oprichting van een koloniaal museum zou van volwassenheid getuigen.

Nederland staat met de rug tegen de muur van zijn koloniale verleden gedrukt. Om ons uit deze benarde positie te bevrijden, deed kamervoorzitter Deetman begin dit jaar een oproep tot een politiek debat over wat kort wordt aangeduid als de Indonesische kwestie (1945-'49). Hij achtte het van belang ons als samenleving af te vragen “of wat toen gebeurd is, beter had kunnen verlopen”.

Van het verleden kan veel gezegd worden, vatbaar voor verbetering is het niet. Wie zich aan deze waarheid als een koe weinig gelegen laat liggen, ontneemt zichzelf het zicht op de feitelijke gebeurtenissen van die tijd. Juist dat kan niet de bedoeling wezen. De verwerking van ons koloniale verleden, want daar is het hier allemaal om te doen, kan alleen geschieden door de historische feiten onder ogen te zien. Hoewel de term 'verwerking' wel die associatie oproept, is het niet iets actiefs, maar juist een passieve aangelegenheid, iets dat je moet ondergaan: je staat erbij en kijkt ernaar. Waar zou dat beter kunnen dan in een museum?

Een museum van het Nederlandse kolonialisme bestaat niet. Ewald Vanvugt breekt in zijn vorig jaar verschenen boek over de Lombokschat een lans voor een dergelijk museum. “Net zoals de koloniale oorlogen uit de geschiedenis verdwenen”, aldus Vanvugt, “verdwenen ook de buitgoederen uit de musea. Dit boek bepleit natuurlijk de spoedige en ruimhartige opstelling van de oorlogsbuit in een openbaar gebouw.”

Opnieuw een nobel streven, alleen de veronderstelling dat de koloniale oorlogen uit de geschiedenis verdwenen zijn, snijdt geen hout. Museum Bronbeek in Arnhem, het enige museum dat aanspraak kan maken op het predikaat 'koloniaal', is vooral krijgshistorisch van opzet. Van de Java-oorlog tot de tweede politionele actie, geen koloniale oorlog wordt de bezoeker van Bronbeek onthouden. De pretentie een monument te zijn, waar de 'verbondenheid tussen Nederland en overzee', tot uiting komt, doet de wenkbrauwen fronsen; de verbondenheid die Bronbeek toont, speelt zich vooral af op het slagveld. Zij wordt treffend verwoord in het opschrift op een schild dat tijdens de Atjeh-oorlog werd buitgemaakt: “Schild van den Atjeher die in December 1876 den 1e luit. Regensburg in de benteng Lemboe deed sneuvelen. Atjinees ook dood”. Binnenkort is dit schild te zien in een nog te openen permanente tentoonstelling in het Rijksmuseum. Ook hier zet het koloniale wapengekletter de toon.

Met de museale aandacht voor de tijd van de VOC is het anders gesteld. Ten eerste is die aandacht groter. Bovendien is achter het negatieve stereotiepe beeld van de VOC-dienaren als uitbuiters de eerste multinationale onderneming ter wereld te voorschijn gekomen. Dat de ruwe knuisten van de oude Hollanders bepaald niet in fluwelen handschoenen waren gestoken - het lijkt ons allemaal wat minder te deren. Jan Pietersz. Coen staat vooral te boek als de stichter van Batavia, niet als oorlogsmisdadiger.

De Nederlandse fixatie op het traumatische einde van Nederlands-Indië heeft er de laatste vijftig jaar voor gezorgd dat het wonder van een kleine Europese natie met een gigantisch overzees imperium in al zijn facetten vervaagd is achter een waas van schuldgevoel en ongemak. Deze status quo laat de prangende vraag onbeantwoord hoe het mogelijk was dat een relatief klein land aan de Noordzee gedurende 350 jaar een zo grote rol heeft kunnen spelen in de Europese expansie.

De toenemende aandacht voor de ondernemingsgeschiedenis van de VOC verdient een vervolg in hernieuwde aandacht voor de koloniale onderneming van de Nederlandse staat in de negentiende en twintigste eeuw. De vestiging van grote landbouwprojecten, de delfstofwinning, de infrastructuur van wegen, spoorwegen en scheepvaart en de ontplooiing van een centralistisch bestuur, - het zijn allemaal aspecten van het kolonialisme die in de huidige museumwereld onderbelicht zijn. De kurk waar Nederland lange tijd op dreef, verdient meer museale belangstelling.

Om zich beter van zijn taak te kwijten zou de museumwereld een voorbeeld kunnen nemen aan de hedendaagse aandacht voor het Nederlandse kolonialisme binnen de wetenschap. Ook hier was gedurende de jaren vijftig en zestig sprake van desinteresse. In plaats van aandacht voor de kolonisator ontstond er een groeiende belangstelling voor de autonomie van de Derde-Wereldlanden. Toen vanaf de jaren zeventig óók het Europese perspectief proportioneel in ere werd hersteld, ontstond in de wetenschappelijke literatuur een evenwichtiger beeld van de overzeese geschiedenis.

Wanneer we kijken naar het tumult over het Nederlandse optreden in Indonesië in de jaren 1945-'49, dat recent van de Nederlandse bodem opsteeg, dan is de ivoren toren waar de wetenschap in huist zo'n gek optrekje nog niet. De duidelijkheid die Deetman met zijn politieke debat wilde scheppen, is allang voorhanden, althans voor degene die bereid is kennis te nemen van de karrevracht aan literatuur die door de wetenschap over Nederland is uitgestort.

Keren wij terug naar de musea, dan kan niet anders gezegd worden dan dat deze cultuurdragers de wetenschappelijke ontwikkeling niet hebben kunnen bijbenen. De eerste stap, meer aandacht voor de autochtone cultuur van de voormalige koloniën, is indertijd met zoveel overtuiging gezet, dat de Europese poot van het verhaal is blijven steken in het moeras van ongemak en schuldgevoel dat zich van Nederland meester maakte na de moeizame dekolonisatie. De dekolonisatie van de musea bleek een minder moeizaam proces: van het koloniale erfgoed was het eenvoudiger afstand doen dan van het koloniale landgoed. Duizenden aan de koloniale geschiedenis gelieerde voorwerpen verdwenen in depots.

De naoorlogse geschiedenis van het Tropenmuseum in Amsterdam biedt een treffende illustratie van dit proces. De opening van het imposante gebouw in 1926, waarin voor de oorlog het Koloniaal Museum huisde, was een krachtige uiting van het grenzeloze vertrouwen in de eeuwigheid van het Nederlandse imperium. Nog geen dertig jaar na de opening bleek het met de eeuwigheid van het Koninkrijk overzee nogal mee te vallen toen de goede bedoelingen door de geschiedenis achterhaald werden. In 1950 werd het Koloniaal Museum definitief opgeheven. Daarvoor in de plaats kwam het Tropenmuseum dat in de jaren zeventig werd omgevormd tot presentatiecentrum van de Derde Wereld. Veel aandacht diende uit te gaan naar de problematiek van armoede en achterstelling. Daarbij is het mea culpa natuurlijk niet van de lucht. Wie kwaad wil, zal dan ook zeggen dat het Tropenmuseum de bezoeker een aflaat in de maag splitst voor onze koloniale erfzonde.

Schijnheilig of niet, het valt moeilijk te ontkennen dat het Tropenmuseum zich in haar huidige vorm bestaansrecht heeft verworven. Maar evenmin valt het te ontkennen dat deze ontwikkeling op letterlijk rücksichtlose wijze ten koste is gegaan van ons koloniale erfgoed en de deur in het slot deed vallen van een schatkamer vol stille getuigen uit de koloniale geschiedenis.

De rekening die hiervoor wordt betaald, is de huidige onbekendheid met ons koloniale verleden. Of erger nog, de eenzijdige bekendheid van velen met slechts de clichés die aan dit verleden kleven: het 'daar werd wat groots verricht' en tempo doeloe óf geweldsexcessen en onderdrukking, onverenigbaar tegenover elkaar. De ontsporing van het verleden die hiervan het gevolg is, kan alleen maar ongedaan worden gemaakt, wanneer we erkennen dat deze uitersten onderdeel uitmaken van een en dezelfde geschiedenis.

Waarom wordt de maatschappelijke reikwijdte van een museum niet voor het nationale karretje van onverwerkt koloniaal verleden gespannen? Juist een museum kan als publieke ruimte een educatieve functie vervullen en op aanschouwelijke wijze een genuanceerd beeld overbrengen van de Nederlandse koloniale geschiedenis als geheel. Tegelijkertijd zou het een monument kunnen zijn voor de grote groep Nederlanders die overzee geboren zijn en het daar allemaal meegemaakt hebben.

Juist nu, anno 1995 - vierhonderd jaar na de eerste scheepvaart naar Indië vanaf de rede van Texel, vijftig jaar na het uitroepen van de Republik Indonesia en precies twintig jaar na de Surinaamse onafhankelijkheidsverklaring - zou het van volwassenheid getuigen als hier in Nederland een begin gemaakt zou worden met de oprichting van een koloniaal museum. Een gebaar dat de verwerking van ons koloniaal verleden mogelijk maakt, vooral omdat het een krachtige erkenning is van het feit dat 'Nederlands grootste avontuur' voorgoed tot de geschiedenis behoort.