Vermogen ABP is gestegen tot 191,7 miljard

HEERLEN, 22 JUNI. Het vermogen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) is vorig jaar met ruim 7 miljard toegenomen tot 191,7 miljard gulden. Het ABP, wat grootte betreft het twee pensioenfonds ter wereld, zorgt door fondsvorming voor de financiering en uitvoering van de ambtelijke pensioenregelingen.

Uit het vanmorgen gepubliceerde jaarverslag blijkt dat het ABP op haar beleggingsportefeuille (185 miljard gulden) vorig jaar een rendement behaalde van min 1 procent, tegen 16,5 procent in 1993. Het gaat daarbij om het totale rendement, dat wil zeggen het directe rendement (dividenden, rente en huren), dat in 1994 7,6 procent bedroeg, plus de waardemutaties, zowel gerealiseerd als ongerealiseerd, in de portefeuille. Het betreft onder meer herwaarderingen van onroerend goed en koersveranderingen van obligaties.

Het grote verschil in resultaat met 1993 schrijft het ABP in hoofdzaak toe aan de onverwachte, wereldwijd snelle stijging van de rente vorig jaar. Vooral de portefeuille vastrentende waarden (groot 156 miljard gulden) kreeg daardoor een klap. Maar ook de aandelenmarkten gaven hierdoor geen verdere groei te zien.

Om de prestaties van het eigen pensioenfonds te vergelijken met die van anderen heeft het ABP zich aangesloten bij de zogeheten World Markets Company (WM), die een index uit de beleggingsprestaties van pensioenfondsen opstelt. Bij WM zijn thans 200 pensioenfondsen aangesloten met een gezamenlijk vermogen van 500 miljard gulden. Het ABP maakt overigens zelf wegens zijn omvang geen deel uit van de index. De WM-index - het gewogen gemiddelde van de totale rendementen van de aangesloten tweehonderd fondsen - kwam in 1994 uit op min 3,3 procent. Dat het ABP met min 1 procent beduidend boven dat gemiddelde presteerde ligt naar eigen zeggen aan de grote geografische spreiding van de portefeuille en het forse aandeel daarin van onderhandse leningen, die hoger rendeerden dan obligaties.

De 976.000 deelnemers in het ABP en hun werkgevers betaalden in 1994 4,8 miljard aan premies. De staat droeg 376 miljoen gulden bij aan vut-lasten voor ambtenaren. Uitbetaald werd voor 4,4 miljard aan ouderdomspensioenen, 2 miljard aan nabestaandenpensioenen en nog een 2 miljard aan vervroegde pensioenen. Na een zogeheten actuarieel tekort van min 6,15 miljard in 1993 werd vorig jaar afgesloten met een positief resultaat van 2,06 miljard gulden. Het actuarieel resultaat geeft aan in hoeverre de tegoeden zich verhouden ten opzichte van de in de toekomst contant te maken pensioenverplichtingen. Belangrijkste oorzaak van het verschil in resultaat tussen 1993 en '94 vormt de post loonindexatie. In 1993 was als gevolg daarvan sprake van een last van bijna 10 miljard, in '94 bleef de loonindexatie geheel uit.

Door 'het goede actuariële jaar' steeg de dekkingsgraad van 105,5 tot 106,2. Daarmee komt deze dekkingsgraad - vermogen gedeeld door betalingsverplichtingen - boven de door het ABP gehanteerde norm van 106. Een goed teken, vindt het ABP, met het oog op de privatisering van het pensioenfonds, officieel per 1 januari 1996.