Tekenen zonder gummen

'Grote vellen goor papier. Een paar potten goedkope verf en wat grofharige kwasten. En wee je gebeente als je de rode kwast in de gele pot doopt.' Marja de Jong gruwt zichtbaar van het soort tekenonderwijs dat onder het mom van vrije expressie nog steeds op veel basisscholen in de praktijk wordt gebracht. 'De kinderen mogen zich helemaal uitleven en de leerkracht vindt alles prachtig', zegt tekendocente De Jong cynisch. 'Maar iemand die nog nooit gekookt heeft kan toch ook geen lekkere maaltijd maken als je hem zomaar wat ingrediënten voorzet?'

Het oordeel van De Jong over het tekenonderwijs is hard: pure armoede. 'Het komt de onderwijzer goed uit als de kinderen er maar wat op los tekenen, dan kan hij ondertussen gaan zitten nakijken.' Met het vak wordt naar believen geschoven. Als de rekenles meer tijd vraagt wordt er helemaal niet getekend. Maar er worden ook gaatjes mee gevuld. Klaar met taal? Ga maar even tekenen. 'Dat is een volslagen zinloze tijdsbesteding', vindt De Jong. 'Thuis is dat prima, maar op school ben je om iets nieuws te leren, en tekenen is net zo goed een vak dat je moet leren.' Dat het niet gebeurt is volgens haar deels te wijten aan het welhaast ontuitroeibare gedachtengoed van de 'vrije expressie' en deels aan gemakzucht bij de leraren.

Wat je allemaal met kinderen kunt bereiken op het gebied van tekenen en schilderen bewijst De Jong met een indrukwekkende tentoonstelling van ruim 500 kindertekeningen in de Rotterdamse Grote- of Sint Laurenskerk. Van 'doodgewone doorsnee kinderen' die de afgelopen 25 jaar bij haar op zolder in Zwijndrecht één uur per week kwamen werken. 'Het is kwaliteit die met een beetje goede wil ook in het basisonderwijs bereikt zou kunnen worden', zegt ze als we langs de tekeningen lopen.

Toen Marja de Jong voor kleuterleidster-in-opleiding was, werd ze getroffen door de onconventionele denkbeelden van haar docent tekenen. Je moet kinderen iets aanbieden waarmee ze uit de voeten kunnen, leerde hij zijn studenten geheel tegen de rondwarende geest van de vrije expressie in. En De Jong ontdekte al snel dat hij gelijk had. Met zomaar ongestuurd wat aanklungelen ontwikkelen kinderen geen eigenheid, de getalenteerden daargelaten. 'Geef ze onderwerpen en beelden, laat ze er goed naar kijken en praat erover', doceert De Jong. 'Laat ze niet zomaar boom tekenen, hup klaar. Maar prikkel hun fantasie en nieuwsgierigheid door ze te laten nadenken hoe een bos er van boven uitziet, of hoe je een rij bomen in beeld kunt brengen als je er hard langs rent.'

Wie tekent en schildert moet werken met materiaal van de beste kwaliteit, vindt De Jong. Dat geldt ook voor kinderen. Geen viltstiften en in het begin liever geen kleurpotloden. Wel krijt, grafietstiften, Oost-Indische inkt, en een palet met plakaatverf waarop ze zelf met een fijne kwast kleuren kunnen mengen. 'Materialen dus die geen harde lijnen maken en de mogelijkheid van herziening in zich dragen. Waaraan je kunt doorwerken zonder dat je hoeft te gaan 'gummen' of iets als 'fout' terzijde moet leggen', legt De Jong uit. 'Kinderen moeten het hele papier gaandeweg veroveren en intens leren bewerken. Geef ze daarom ook geen grote vellen, ze verzuipen in die oppervlakte en komen zo geen stap verder.' De beperking van het materiaal geeft het kind de kans om zich op een eigen wijze te ontwikkelen, is de basisgedachte die aan de tekenlessen van De Jong ten grondslag liggen.

Drie jaar hield De Jong het in de kleuterklas uit, daarna haalde ze een LO-akte tekenen en werd ze tekenlerares op een lagere school. Niet lang daarna ging ze naar de academie in Tilburg. Ondertussen had een moeder van een leerling gevraagd of ze haar kind privéles wilde geven. Als je een groepje kinderen hebt, doe ik het, had De Jong geantwoord. Zo begon ze in 1970 met vijf kinderen bij mensen thuis op de slaapkamer teken- en schilderles te geven. Het jongere broertje van drie schoof al snel aan, en later kwamen er zelfs kinderen van nog geen twee jaar bij. Ze is er sindsdien nooit meer mee opgehouden. Zo'n zeventig kinderen en dertig volwassenen nemen op dit moment bij haar Stichting AllaprimA teken- en schilderlessen.

Daarnaast is De Jong drie dagen in de week docent op de Ichtus Pabo in Rotterdam. Als je iets aan het tekenonderwijs wilt veranderen moet je bij de aankomende leraren zijn, vindt ze. Maar desondanks voelt ze zich nog vaak een roepende in de woestijn. Zelfs studenten die met de beste voornemens met hun leerlingen beginnen te tekenen en schilderen ziet ze terugvallen omdat collega's op de basisschool het maar een rare, omslachtige manier van werken vinden.

De Jong: 'Zelf slaan ze een lesmethode op die ze in de kast hebben staan, en met een half oog zien ze iets over een fruitschaal. Ha leuk, een fruitschaal, denken ze dan, die laat ik de kinderen morgen tekenen. Als ze zo met het rekenonderwijs zouden omgaan, werden waarschijnlijk snel op het matje geroepen.' Of het in de toekomst beter wordt, betwijfelt ze. 'In vergelijking met tien jaar geleden heb ik nu op de Pabo half zoveel uren terwijl de klassen de helft groter zijn geworden. Aan een theoretische onderbouwing kom ik niet meer toe, ik kan alleen nog praktisch met de studenten aan de gang. Jaren heb ik er tegen gevochten, nu schrap ik gewoon onderdelen als de ruimte verder terugloopt.'

Als we langs de tekeningen in de Laurenskerk lopen lijkt het alsof ze op slag haar zorgen over het tekenonderwijs is vergeten. 'Kijk eens', zegt ze als ze op de tekening van de vierjarige Hiltje wijst. 'Een man met een viool, en een vioolkist daar achter op tafel. Daar krijg je toch bijna tranen van in je ogen.' De serie tekeningen van Jeroen die hij tussen z'n vierde en dertiende bij haar op les maakte laat goed zien wat De Jong bedoelt met het onwikkelen van eigen betekenisvolle beelden. Zijn eerste tekening is van bijna 25 jaar geleden. Jeroen is inmiddels dertig en zit weer op les bij De Jong. 'Op school zou tekenen per definitie leuk zijn. Maar dat is helemaal niet zo. Het kan ontzettend tegenvallen en veel weerstanden oproepen als je er op mijn manier mee bezig bent.'