'Strikt zakelijke ontwikkelingssamenwerking is enige juiste'

DEN HAAG, 22 JUNI. Lang bekeken organisaties die zich met ontwikkelingshulp bezig hielden de Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) met enige argwaan. De FMO hanteert als enige Nederlandse ontwikkelingsorganisatie 'strikt zakelijke voorwaarden'. Sinds enkele jaren krijgt de 'marktgerichte aanpak' van de FMO erkenning. “Onze werkwijze voorkomt dat ontwikkelingsgeld in een bodemloze put verdwijnt”, zegt FMO-directeur prof. dr. L.B.M. Mennes.

De FMO vierde gisteren het 25-jarig bestaan. De staat heeft de ontwikkelingsbank in 1970 opgericht om samen met het Nederlandse bedrijfsleven investeringen in de derde wereld te bevorderen. Sinds de FMO in 1991 verzelfstandigde wordt de organisatie steeds minder afhankelijk van overheidssteun. Uit de begroting Ontwikkelingssamenwerking wordt jaarlijks 100 miljoen gulden in de FMO geinvesteerd.

De 462 miljoen gulden aan financieringen die de organisatie in 1994 verstrekte kwam ten goede aan 57 projecten. De FMO-financieringen werkten volgens directeur Mennes als een 'katalysator' bij het tot stand komen van in totaal bijna twee miljard gulden aan investeringen in het afgelopen jaar. “Daarmee zijn in ontwikkelingslanden meer dan 16.000 banen gecreëerd.” In de toekomst verwacht Mennes de ontwikkelingssamenwerking in samenwerking met commerciële banken nog grootschaliger te kunnen aanpakken.

Voor een investering van bijna 50 miljoen dollar in een groot Vietnamees cementbedrijf werkt de FMO dit jaar samen met een commerciële bank. De FMO was in dit project formeel de leningverstrekker. Mennes meent dat zo'n constructie voor beide partijen voordelig is. “Commerciële banken moeten van De Nederlandsche Bank (DNB) aanvullende voorzieningen treffen als zij in risicovolle landen investeren. Dat is niet nodig als wij garant staan”, zegt hij. De FMO overlegt nog met DNB of een dergelijke constructie vaker mag worden toegepast.

De FMO-directeur kent nog een manier om commerciële banken tot investeringen te verlokken: “In de belastingverdragen van Nederland met Indonesië, Zuid-Afrika en India is een speciale regeling voor de FMO opgenomen. De winst uit onze investeringen blijft in die landen onbelast. ING, ABN Amro of Citicorp kunnen van onze vrijstelling profiteren als ze met ons samenwerken.”

Ondanks de groei namen de activiteiten van de FMO in Afrika in het afgelopen jaar 'bij gebrek aan interessante projecten' af. In 1994 werden leningen goedgekeurd voor een Ghanees kalksteenbedrijf en een goudmijn in Mali. Mennes vindt dat investeringen in Afrika gezien de hoge risico's een hogere rente moeten opleveren dan investeringen in Zuid-Oost Azië of Zuid-Amerika. “De goedkope fondsen van instanties als de Caisse de Developpement Française en de Europese Investeringsbank leiden tot prijsbederf, dat is zowel een slechte zaak voor financiers als voor de landen in Afrika zelf.”

“Bij een te grote stroom van kapitaal naar die landen worden projecten opgezet die eigenlijk zinloos zijn”, vindt hij. Mennes noemt als voorbeeld een door Frankrijk gefinancierde fabriek voor de produktie van suikerklontjes in Kameroen als voorbeeld. “Als kapitaal te makkelijk verkrijgbaar is, verdwijnen de echte ondernemers in de massa, en zet men bedrijven op die eigenlijk niet levensvatbaar zijn. Ik zie het nut van voedselpakketten en noodhulp, maar voor bestrijding van armoede en werkloosheid is ontwikkelingssamenwerking onder zakelijke voorwaarden het enige juiste middel.”

Eén derde van de verstrekte leningen ging vorig jaar naar de snelgroeiende economiën in Azië. Ook commerciële banken investeren daar veel, maar dat betekent niet dat de financieringen van de FMO overbodig zijn. Mennes: “Banken als Citicorp en ABN Amro lenen maximaal voor één tot drie jaar geld uit. In Azië en Latijns Amerika bestaat een enorme vraag naar langlopende leningen en wij zijn een van de weinige instanties die daarin kunnen voorzien.”

De FMO-directeur verwacht dit jaar via Zuidafrikaanse banken meer in Afrika te kunnen investeren. “In Zuid-Afrika krijgen we de laatste tijd goed voet aan de grond. Het Zuidafrikaanse bankwezen functioneert uitstekend. Wij hebben veel voordeel bij de kennis die het zakenleven daar heeft over de rest van Afrika”, zegt Mennes. De FMO investeerde dit jaar samen met een Zuidafrikaans bierconcern in een Tanzaniaanse brouwerij.

De FMO-directeur vertelt met enige trots dat zijn organisatie weinig te lijden heeft gehad van de financiële crisis in Mexico, omdat de FMO 'de krenten uit de pap heeft kunnen pikken' voordat de grote buitenlandse kapitaalstroom op gang kwam. “Vijf jaar geleden was niemand in dat land geïnteresseerd. Wij hebben het toen wel aangedurfd daar te investeren. Mexico is voor ons altijd een belangrijk land geweest. In de glas-, cement- en hotelsector bleken goede ondernemingen te bestaan met een schreeuwende behoefte aan kapitaal. Wij kiezen slechts zelden voor ondernemingen die voor de lokale markt produceren. In Mexico hebben we voornamelijk belangen in bedrijven die met de export dollars verdienen. Die hebben weinig van de crisis te lijden gehad”, aldus Mennes.

Het belang van Oost-Europa in de FMO-portefeuille is met een aandeel van ruim één procent zeer beperkt.“Eigenlijk zijn we pas aan het begin van dit jaar echt in Oost-Europa begonnen. We hebben de Internationale Financieringsmaatschappij (IFC), een zusterorganisatie, gebruikt om ons te oriënteren. In Roemenië hebben we een financiële instelling opgericht met Nastase en Tiriac, twee oud-proftennisers. Die willen geld steken in het vaderland en wij helpen hen daarbij”, vertelt Mennes.

Het percentage FMO-leningen dat niet wordt terugbetaald is de laatste jaren met ongeveer de helft gedaald. Toch maakt ook de FMO fouten. Mennes: “We hebben een goedlopende champignonkwekerij in Indonesië die exporteert naar Europa en de Verenigde Staten. Jammer genoeg is de kwekerij onderdeel van een ondoorzichtig familieconglomeraat.” De winsten van de champignonkweek verdwijnen op mysterieuze wijze in slechtlopende delen van het bedrijf of vloeien naar verwende zoons met een gat in de hand. “Daar leren we van”, vindt Mennes.

Ter gelegenheid van het jubileum is een boek gewpubliceerd met de titel Geld en nog veel meer. Daarin geven onder anderen prins Claus, minister Pronk van ontwikkelingszaken, EU-commissaris Van den Broek en Citicorp-directeur Ruding hun visie op de financiering van de particuliere sector in ontwikkelingslanden. In het boek vertellen voorts 'mensen uit de praktijk' over de steun die de FMO de afgelopen 25 jaar aan bedrijven in 56 landen heeft gegeven.