Seinersvoedsel

Eindpunt Den Helder. Voor de eerste maal in mijn loopbaan moet ik mijn legitimatie trekken op het perron. Wanneer we het station verlaten ziet het blauw van de petten. Rijks- en gemeentepolitie kammen in samenwerking met de marechaussee de hele stad uit. Is het oorlog? Nee! We horen het in de bus: het is Luns! De secretaris-generaal van de NAVO heeft besloten de week eens goed te beginnen met een beleefdheidsbezoek aan de Koninklijke Marine. Zijn Koninklijke Marine.

Hoe kon ik op dat moment vermoeden dat ik nog geen twee uur later met dit illustere kopstuk, al varend tussen de havenhoofden door, een fijn gesprek zou hebben.

Want meevaren, dat is wat ze altijd willen. Een marinevisite zonder het havengat te zijn gepasseerd is een zonde. Of het nu Hare Majesteit zelf betreft of de burgemeester van Hellevoetsluis, meevaren moeten ze en daarmee basta.

Het is half tien in de morgen wanneer de trossen worden losgegooid en we traag van de kade drijven. Regen en storm teisteren het dek. Moeizaam zwoegen de ruitewissers over de vensters van de brug alwaar het druk is en iedereen zó opgelaten om zich heen kijkt dat ik even het idee krijg dat Sinterklaas elk moment kan opduiken. Dan gaat de brugdeur open en komt de fanfare binnen. Eerst twee uit de kluiten gewassen veiligheidsagenten, dan onze commandant en na hem betreedt Luns de brug. Hij oogt ontspannen en doet zijn best het ijs te breken door korte praatjes met enkele bemanningsleden te maken. Na een paar minuten, wanneer we langs de seinpost varen en de schuimkoppen op de Noordzee zorgwekkende vormen aannemen, komt hij naast mij in het seinersbankje zitten. “Zo zo seinert. Hoe gaat het met de punten en de strepen?” Ik kijk hem aan en zeg dat het goed gaat. Dan legt hij mij uit dat de vrijdagse worteltjes en doperwtjes, in zijn tijd als seiner, altijd punten en strepen werden genoemd. “Seinersvoedsel!” buldert hij en begint luid te lachen. Rondom ons schaart zich schoorvoetend het gehele gezelschap om te kunnen horen hoe hij vroeger als seiner is begonnen. Tot slot steekt hij mij een hart onder de riem door te zeggen dat wellicht zelfs ik het op een dag net zo ver zal hebben geschopt als hij. Hij geeft me een hand en schuift uit het bankje.

Het wordt ondertussen beestenweer en de eerste zeezieken druipen af. De bootsman die het roer stevig in handen heeft doet zijn best een zo gunstig mogelijke koers te houden zodat het rendez-vous met de sub elk moment zijn aanvang kan nemen. Luns krijgt alvast een verrekijker in zijn vingers gedrukt en tuurt de horizon af. We maken de ene duikeling na de andere waardoor hij de grootste moeite heeft zich staande te houden. Opeens is het zover. “Periscoop aan stuurboord.” Met een ruk draait de opperbaas zijn hoofd naar links en zet de verrekijker stevig voor zijn ogen. Pas wanneer hij de aangekondigde periscoop niet kan vinden schijnt hij zich te realiseren dat stuurboord niet links maar rechts is. Hij laat z'n verrekijker langzaam zakken en ziet dat iedereen naar hem staat te kijken. Ondertussen schiet aan stuurboordzijde een zwart gevaarte uit de golven omhoog. Als de onderzeeër eenmaal recht ligt en naast ons koers houdt gaat er bovenop een luik open en verschijnt er een klein hoofd naast de periscoop. Ik zie lichtsignalen en pak de seinlamp. Zoals te doen gebruikelijk geef ik de sub antwoord, maar het blijkt niets bijzonders, gewoon punten en strepen.