OR krijgt grote rol bij vaststellen van arbeidsvoorwaarden

Ondernemingsraden hebben de laatste jaren een belangrijke rol gekregen bij het vaststellen van arbeidsvoorwaarden. Minister Melkert (sociale zaken en werkgelegenheid) wil de gekozen personeelsvertegenwoordiging in bedrijven nog meer bevoegdheden geven. Sommige vakbonden hebben daar nog moeite mee.

Mag de ondernemingsraad de werktijden in het streekvervoer bepalen, of moeten de vakbonden hiervoor verantwoordelijk blijven? Over deze vraag barstte begin dit jaar een hevig conflict los tussen de Vervoersbonden van FNV en CNV. De instemmende reactie van de CNV-bond op de wens van de streekvervoerder VSN om dienstroosters op te stellen in overleg met de ondernemingsraad - endus zonder de bonden - leidde tot woedende reacties bij de FNV-bond. Die vreesde als behartiger van werknemersbelangen buiten spel te worden gezet. Uiteindelijk zouden de chauffeurs de dupe worden, zo stelde de FNV-bond, omdat de ondernemingsraad te snel tegemoet zou komen aan de eisen van de werkgevers.

Het conflict in het streekvervoer, dat tot een staking van vier weken leidde en een fikse vertrouwensbreuk tussen de CNV en FNV-bonden opleverde, geeft aan hoeveel moeite sommige vakbonden nog hebben met de rol die de ondernemingsraad de laatste jaren voor zichzelf begint op te eisen. Dat vakbonden niet langer het alleenrecht hebben als vertegenwoordiger van personeelsbelangen, is intussen bij de twee grootste vakcentrales FNV en CNV volledig geaccepteerd. Maar als ondernemingsraden zich wagen op het terrein van essentiële arbeidsvoorwaarden - zoals beloning of het opstellen van dienstroosters - blijken sommige aangesloten vakbonden daar soms toch moeite mee te hebben.

De plaats van de ondernemingsraad aan de onderhandelingstafel op bedrijfsniveau zal de komende jaren nog prominenter worden als het aan minister Melkert (sociale zaken en werkgelegenheid) ligt. Melkert wil de bevoegdheden van onderemingsraden aanmerkelijk uitbreiden, zo heeft hij begin april aan de Tweede Kamer laten weten. De belangrijkste reden daarvoor is dat steeds meer beslissingen over werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden verschuiven van bedrijfstakken naar de bedrijven zelf.

Het kabinet werkt op het ogenblik aan een ingrijpende herziening van de uit 1971 daterende Wet op de ondernemingsraden. De wet, die in 1979 al eens grondig werd bijgesteld, moet volgens het kabinet meer 'eigentijds' en 'flexibeler' worden. Zo wil Melkert werkgevers de kans ontnemen om nog langer eenzijdig bepaalde arbeidsvoorwaarden (zoals de hoogte van gratificaties) te veranderen. Hij wil in het Burgelijk Wetboek een bepaling laten opnemen dat een door de werkgever voorgestelde wijziging een 'zwaarwegend belang' moet dienen. Daarvan is pas sprake als de werkgever hierover met ondernemingsraad of vakbond overeenstemming heeft bereikt.

Ook wil het kabinet dat onkostenregelingen en privacy-reglementen in bedrijven pas kunnen worden vastgesteld na instemming van de ondernemingsraad. Voor de invoering van milieuzorgsystemen en technologische vernieuwing moeten bedrijfsleidingen in de toekomst advies vragen aan de ondernemingsraden, zo wil Melkert. Ondernemingsraden die zelf met een voorstel komen, maar stuiten op de weigering van hun werkgever om daarover te praten, moeten straks bemiddeling kunnen vragen aan de raad van commissarissen of aan een speciale bedrijfscommissie.

Voor de Tweede Kamer gaat de herziening nog niet ver genoeg, zo bleek vorige week. De huidige wet stelt dat alleen bij bedrijven met meer dan 35 werknemers een ondernemingsraad aanwezig moet zijn. Ondernemingen die kleiner zijn, hebben alleen de verplichting om twee maal per jaar personeelsvergaderingen te houden. Op aandringen van een meerderheid van de Tweede Kamer onderzoekt Melkert de mogelijkheid om ook in kleine bedrijven ondernemingsraden in te laten stellen. Volgens de Kamer is zo'n aanpassing onder andere nodig omdat in de (vorige week aangenomen) nieuwe Arbeidstijdenwet is bepaald dat ook in bedrijven met minder dan 35 werknemers een medezeggenschapsorgaan moet komen voor overleg over de bedrijfstijden.

Het instituut ondernemingsraad leidde in de jaren zeventig en begin tachtig een nogal kwakkelend bestaan. De Wet op de Ondernemingsraden (in 1971 van kracht geworden) leverde weliswaar in veel bedrijven dergelijke raden op, maar de onderwerpen waar de (gekozen) leden zich mee bezig hielden bleven veelal beperkt tot het terrein van voorzieningen in de kantine en fietsenstallingen. Als de ondernemingsraad de euvele moed had te proberen het overleg uit te breiden tot de arbeidsvoorwaarden, vonden de OR-leden vaak zowel de directie als de vakbonden op hun weg.

De Wet op de Ondernemingsraden (WOR) omschrijft de OR als een 'zelfstandig overlegorgaan tussen de leiding van een bedrijf en de werknemers'. Via de ondernemingsraad hebben werknemers inspraak bij de bestuurders van de onderneming. De belangrijkste taak van de ondernemingsraad is het financieel-economisch, organisatorisch, sociaal en arbeidsomstandighedenbeleid van een onderneming te toetsen. Daarbij, zo stelt de WOR, “moeten de belangen van het bedrijf en van de werknemer steeds tegen elkaar worden afgewogen”.

Juist dat ene zinnetje heeft bij de vakbeweging lange tijd kwaad bloed gezet. In de jaren zeventig en deels nog in de jaren tachtig waren vakbonden vaak nauwelijks genegen 'mee te denken' met werkgevers. De vakbeweging stond in die tijd nog op het standpunt dat ondernemers er op uit waren om werknemers uit te buiten en dat werknemers zich daar - met steun van de vakbeweging - tegen moesten verzetten. De vakbeweging beschouwde de ondernemingsraad als een nogal sullige vorm van personeelsvertegenwoordiging, die doorgaans de oren veel te snel liet hangen naar de wensen van werkgevers.

Bij veel ondernemingsraden leefde daarentegen de kritiek dat de vakbeweging zich drammerig en onrealistisch opstelde. Zo zouden de bonden te vaak voorbij gaan aan de specifieke omstandigheden van bedrijven, en probeerden ze het onderste uit de kan te krijgen zonder begrip te tonen voor de marktsituatie waarin de ondernemingen zich bevonden. Met hun onhaalbare eisenpakketten - 'geen man de poort uit' - creëerden zij alleen maar onrust onder het personeel, zo mopperden veel ondernemingsraden, terwijl soms uiteindelijk slechts het faillissement restte.

Van die vijandelijkheid en rivaliteit is steeds minder te merken. Vakbeweging en ondernemingsraad opereren de laatste jaren steeds vaker als wapenbroeders in de strijd. Die ontwikkeling is voor een belangrijk deel het gevolg van de veranderde opstelling van de vakbeweging. Anders dan in het verleden accepteren vakbonden tegenwoordig dat ondernemingsraden vaak meer zicht hebben op de gang van zaken binnen bedrijven. Weliswaar heeft de vakbeweging sinds de jaren '70 zelf ook veel moeite besteed aan het herwinnen van een 'smoel' op de werkvloer, maar die poging is mede als gevolg van de gedaalde organisatiegraad niet voldoende van de grond gekomen. Omdat het merendeel van de OR-leden een vakbondsachtergrond heeft, proberen de bonden nu via de ondernemingsraden toch de herkenbaarheid van de vakbeweging te vergroten.

Tegelijkertijd erkennen veel ondernemingsraden ruiterlijk niet alle kennis zelf in huis te hebben. Ook bij onderwerpen waar de vakbeweging formeel niet bij betrokken is, schakelen ondernemingsraden daarom regelmatig vakbonden in om advies in te winnen. Binnen de vakbeweging wordt de laatste jaren veel geïnvesteerd in de scholing van ondernemingsraden.

Ook op het gebied van CAO-afspraken - traditioneel hèt werkterrein van de vakbeweging - dragen bonden steeds vaker bevoegdheden en invloed over aan de ondernemingsraden. Een recente voorbeeld van deze ontwikkeling is de CAO die is afgesloten voor de bankensector. Daarin is onder andere afgesproken dat werknemers een 36-urige werkweek krijgen, in ruil voor flexibeler werktijden. Over de invulling van die werkweek moeten werknemers met hun eigen chef afspraken gaan maken. Aan de ondernemingsraden bij de verschillende banken is nu de taak te zorgen dat die onderhandelingen op 'gelijkwaardig niveau' zullen gaan verlopen.

Aan werkgeverskant is de animo om met de ondernemingsraad te onderhandelen over arbeidsvoorwaarden de laatste jaren flink gegroeid. Onderhandelingen op bedrijfsniveau sluiten volgens een werkgeversorganisatie als VNO-NCW naadloos aan op de behoefte van ondernemers om arbeidsvoorwaarden per bedrijf of per lokatie 'op maat' te krijgen. Dwingende CAO-afspraken voor een hele sector passen volgens VNO-NCW niet meer in deze tijd, al blijft het uit concurrentie-oogpunt vaak wel aantrekkelijk om over de primaire arbeidsvoorwaarden (zoals loon) gemeenschappelijke afspraken te maken. Maar de invulling van roosters bijvoorbeeld handelen de bedrijven echter liever met de eigen ondernemingsraad af.

Dat veel ondernemingen loononderhandelingen bij voorkeur met de vakbeweging voeren, hangt samen met de wens om discussies over dergelijke gevoelige onderwerpen 'buiten de deur' te houden. “Ik ben er een groot voorstander van om zulke discussies niet binnen de onderneming te voeren”, zegt vice-voorzitter J. Blankert van VNO-NCW. “Dat levert alleen maar vervelende situaties op. Zeker in kleine ondernemingen kom je elkaar steeds tegen. Bovendien is het voor een ondernemingsraad-lid niet prettig om op je eigen afdeling het verwijt te krijgen dat je er niet genoeg hebt uitgesleept.”

De rol van de ondernemingsraad zal de komende jaren steeds aan betekenis winnen, zo signaleert VNO-NCW. Voor de ondernemingsraden zelf betekent dit meer verantwoordelijkheid. “De OR (komt) meer en meer in een contractuele relatie met de ondernemer”, schrijft de werkgeversorganisatie in een vorige week verschenen nota over het CAO-seizoen 1995. Die ontwikkeling betekent tegelijkertijd 'dat de vakbeweging niet langer het vanzelfsprekende primaat toe komt wat betreft de arbeidsvoorwaarden.' Volgens VNO-NCW hoeft deze verschuiving echter niet opnieuw wettelijk vastgelegd te worden. “Wij kunnen als werkgevers met de huidige Wet op de Ondernemingsraden prima uit de voeten”, zei Blankert vorige week.

Op het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid denkt men daar dus anders over. Volgens minister Melkert moet de kern van de hernieuwde wet uit duidelijke regels bestaan waarop ondernemingsraden zo nodig kunnen terugvallen. “Concrete aangrijpingspunten voor betrokkenheid, ook als de werkgever geen open mind heeft voor medezeggenschap”, zo zei hij eerder dit jaar tijdens de landelijke OR-dag. Het argument van werkgevers dat de medezeggenschap in de praktijk al redelijk functioneert, wees Melkert tijdens die bijeenkomst af. “Ik kan geen genoegen nemen met 'redelijk' functionerende medezeggenschap. Het kan en moet beter”, aldus de minister.

Over de vraag hoe ver de macht van ondernemingsraden moet strekken, is de afgelopen jaren hevig gebakkeleid. Tussen werkgevers en vakbonden, maar ook tussen vakbonden onderling. Een adviesaanvraag die de toenmalige minister De Vries 9sociale zaken en werkgelegenheid) vijf jaar geleden bij de Sociaal-Economische Raad indiende, is om die reden pas vorig jaar beantwoord. Binnen de SER bleken de vakcentrales FNV en MHP samen met het merendeel van de onafhankelije Kroonleden voorstander van een 'zwaar instemmingsrecht' voor de OR ten aanzien van alle arbeidsvoorwaarden die niet in CAO's zijn geregeld. In een sector als de automatisering bijvoorbeeld, waar tot nu toe geen CAO is afgesproken, zouden ondernemingsraden zich op basis van de nieuwe wet ook met loononderhandelingen moeten kunnen bezighouden.

In de eigen kring stuitte deze opstelling van de vakcentrale FNV op felle kritiek van de eigen Vervoersbond. Ook voor de christelijke vakcentrale CNV ging dit pleidooi van de collega-vakcentrales een brug te ver. Het CNV wilde het instemmingsrecht van de ondernemingsraad uitbreiden tot alle regelingen die betrekking hebben op het sociaal beleid binnen de onderneming. De primaire arbeidsvoorwaarden (zoals loon) zouden hier wat het CNV betreft echter van moeten worden uitgesloten. Dat moet de taak blijven van de vakbeweging. De werkgevers binnen de SER wezen een uitbreiding van het wettelijke instemmingsrecht in zijn geheel af: zij vreesden dat de ondernemingsraden hierdoor een veto-recht krijgen wanneer vakbonden en werkgevers over delen van de CAO geen overeenstemming zouden bereiken.

Hoewel minister Melkert pas in het najaar zijn voorstel voor een herziening van de Wet op de Ondernemingsraden zal indienen, is al duidelijk dat de Tweede Kamer de macht van de ondernemingsraad fors wil laten toenemen. Niet alleen heeft de Kamer vorige week de minister verzocht in kleine bedrijven ondernemingsraden eveneens verplicht te stellen, ook in de nieuwe Arbeidstijdenwet is - onder druk van D66 en VVD - de rol van de ondernemingsraad ten opzichte van de vakbonden aanmerkelijk versterkt. Wanneer in een CAO alleen summiere regelingen op het gebied van werktijden zijn opgenomen, mogen de ondernemingsraden op eigen gezag met de werkgever verderstrekkende afspraken maken. Daarmee krijgen de ondernemingsraden feitelijk een grote rol bij het arbeidsvoorwaardenbeleid.