Onverstaanbaar gerommel ('Kom op, oud nieuws, speel')

Voorstelling: Fin de Saison: Ad Memoriam Revocare (Geef weer stem aan de herinnering) door Maatschappij Discordia. Gezien 20/6 Toneelschuur, Haarlem. Te zien t/m 24/6 aldaar.

Het toeval wilde dat ik het magistrale, oprechte boek van Céline, Reis naar het einde van de nacht, in mijn koffertje had toen ik de voorstelling Ad Memoriam Revocare van Discordia bezocht. Dit toeval mag vermeld worden omdat Maatschappij Discordia al lange tijd het onverwachte, het toevallige, het geïmproviseerde moment in haar voorstellingen toelaat. Céline schreef een oprecht en tegelijk monter boek over het echec van het bestaan. Maar hoe oprecht is Maatschappij Discordia? En wat is er nu precies gaande met dit gezelschap? Is het voor toneelliefhebbers? Nee, want dan verlaat je al spoedig de zaal. Is het voor mensen die niet van toneel houden, en het dan verrukkelijk vinden een voorstelling te zien die rammelt, rommelt, onverstaanbaar is vanwege de krakende planken tijdens elke monoloog, en die vooral onvoorstelbaar egocentrisch is? Misschien. Ik hield het niet tot het einde vol, en ben weggegaan, naar buiten, naar het warme zomerse avondlicht waar ik adem kon halen. Want deze Fin de Saison-voorstelling van Discordia was een claustrofobische ervaring.

Als toeschouwer had ik de ervaring gedwongen te zijn te luisteren naar een groep van zo'n twintig acteurs die helemaal niet wilden dat er door een zaal met publiek naar hen geluisterd werd, maar die onderling wat onaffe gedachten en invallen, als was het cafépraat, uitwisselden. De acteurs staan over de lengte van de Haarlemse Toneelschuur op witgekalkte planken. De toeschouwers zitten op een donkere vloer. De vloer onder de acteurs kraakt oorverdovend. Nog net daarbovenuit kan ik verstaan wat de spelers zeggen. Jan Joris Lamers haalt de beroemde anekdote aan dat op de hoes van Abbey Road van de Beatles Paul McCartney blootsvoets op de zwarte strepen van een zebra loopt. Omdat hij dood zou zijn. En Ringo Starr is de doodgraver, John Lennon de priester. Een actrice doet daar nog eens het schepje bovenop door te vermelden dat, als je de plaat langzaam afdraait, je een van de Beatles hoort zeggen: “We buried Paul.”

Dit is een legendarisch mooi verhaal, waarvan vele versies bestaan. Maar Maatschappij Discordia maakt het kapot. Of althans die ene actrice. Want ze doet voorkomen alsof zìj de enige is die het weet. Ze sluit het publiek daarmee buiten. Omdat ze zonder ironie, zonder enige distantie dit in alle opperste serieusheid vertelt. Alsof het haar ontdekking van de eeuw is. Zo is het natuurlijk niet. Dat irriteert. Ik dacht voortdurend: “Kom op, oud nieuws, spéél.”

Er was ons veel beloofd van deze voorstelling, die de proloog is van een reeks die tot 2001 moet voortduren. We zouden een terugblik krijgen op een eeuw toneelcultuur. Nu heb ik van Maatschappij Discordia in het verleden heel mooie voorstellingen gezien uit het toneelrepertoire. Tsjechov, Thomas Bernhard, Peter Handke, Shakespeare, Hugo Claus. Maar deze voorstelling bestaat uit enkele nauwelijks hoorbare monologen, waarin acteurs en actrices nogal kinderachtige anekdoten opdissen, die nauwelijks iets met theaterhistorie te maken hebben. Zoals die over The Beatles. Of zoals die van een andere actrice over het spelen van een voorstelling. Er was ergens in een krant een vernietigende recensie over verschenen, zo glunderde ze, want er werd gewoon gesproken op de Bühne en niet werkelijk geacteerd met het grote gebaar, de grootse stem.Misschien zit in deze zo trots vertelde anekdote wel de tragiek van Maatschappij Discordia. Dat ze vecht tegen windmolens. Want nergens in het Nederlandse toneel wordt nog op die ouderwetse, galmende, Ko van Dijk-achtige manier geacteerd. Er is zoveel meer souplesse, spiritualiteit, lichtheid van spel ook in het toneel dat verzet hiertegen op bedrog begint te lijken. Alsof er nog steeds tegen de Nederlandse Comedie van diep in de jaren zestig gerebelleerd moet worden. Die jaren zijn al dertig jaar voorbij. Maatschappij Discordia meent aan die opstandigheid haar bestaansrecht te moeten ontlenen. Dat is een denkfout. En terwijl ik dit allemaal overwoog en overdacht, en mijn teleurstelling probeerde te verwerken, was het alsof Céline steeds harder een van zijn onvergetelijke, striemende zinnen hoorde roepen: “De mensen duwen 't leven, de nacht en de dag voor zich uit. 't Leven verbergt alles voor de mensen. Midden in hun eigen lawaai horen ze niets.” Dat was de oprechte, goudeerlijke taal die ik bij Discordia zo node miste.