NEERWAARTS IN NEPAL

Birendra Bir Basnyat. Nepal's agriculture, sustainability and intervention. Looking for new directions. 285 blz.

Promotie 29 mei 1995. Wageningen, Landbouwuniversiteit. Promotores prof.dr N.G. Röling en prof.dr D. Gibbon

Op het kleine dorpsplein hurken de mannen bijeen. Ze hebben hun lendendoeken wat opgeschort en kijken afwachtend omhoog naar de druk pratende man, die tussen hen in staat. Net als zij draagt hij een topi, een fez-achtig petje, en een oud kolbertje, maar in het borstzakje zit een balpen en hij heeft een bril op. De handige en ruime lendendoek heeft bij hem plaatsgemaakt voor een slechtzittende broek met daaronder goedkope Indiase schoenen. Hij is een onderwijzer, een ambtenaar of een landbouwvoorlichter op reis. Misschien is het wel Birendra Bir Basnyat in zijn rol als Agricultural Development Officer in het binnenland van Nepal. Ik kan hem gezien hebben, want hij heeft dat werk lang en op verschillende plaatsen gedaan, alvorens naar Wageningen te gaan, en ik heb in Nepal meer boerenleven meegemaakt dan ik in Nederland zelfs maar gezien heb. Trekkend door het land weet je eigenlijk niet wat je ziet: van wie is het land, wat wordt er precies verbouwd en hoe vaak wordt er geoogst, hoe is het werk verdeeld, hoe staat het met de bemesting en de bestrijding van onkruid en ongedierte, wat gaat naar de markt en wat heeft de boer zelf nodig? Wat je wel kunt zien, is dat er met veel handen hard gewerkt wordt op vaak heel kleine stukjes land en dat de gewassen schraler worden, naarmate je hoger in de bergen komt. Wat je ook ziet, is de voortgaande ontbossing ten behoeve van de landbouw en het verschil in welvaart tussen de dorpen. Je kunt in Nepal de mooiste dorpen van de wereld zien, maar ook de meest ellendige verzamelingen hutten in een naargeestig landschap van verbrande bomen en ruw omgeploegde aarde. Ik las het proefschrift van Basnyat in de hoop wat meer te weten te komen over het boerenbedrijf in Nepal. Daar is bij hem ook veel over te lezen, maar je wordt er niet vrolijk van. Nepal heeft nu bijna 20 miljoen inwoners op een gebied dat wel drie tot vier keer zo groot is als Nederland, maar voor een belangrijk deel onbewoonbaar, onontginbaar en ontoegankelijk is. 90% van de bevolking moet van de landbouw leven en in de meeste gevallen betekent dit, dat een gezin van 5 personen aangewezen is op de opbrengst van niet meer dan een halve hectare land. Voor de markt, als er al een marktplaats op redelijke afstand is, blijft dan niet veel over. In feite zijn alleen de boeren in het tropische laagland van de Terai (het zuiden van Nepal) en in de heuvels rond Kathmandu en Pokhara in staat ten dele voor de markt te werken en dus ook geld te verdienen.

De meeste Nepali's moeten letterlijk voor zichzelf zorgen: de bossen leveren hout om te stoken en te bouwen, verder wat vruchten, gras en veevoer, het land zelf levert rijst, graan en aardappelen, de tuin wat groente en de weinige dieren wat melk en vooral mest voor het land en voor het haardvuur. De ontbossing maakt brandhout steeds schaarser en duurder, maar door een deel van de mest als brandstof te gebruiken, dreigen er weer tekorten in de voedselproduktie te ontstaan, die niet opgeheven kunnen worden door het aantal dieren op te voeren, want ook de dieren moeten eten van wat het land oplevert. De kwaliteit van het land en de kwantiteit van de opbrengst gaat op veel plaatsen achteruit door slecht gebruik van de bodem en onregelmatigheden in de watertoevoer als gevolg van de toenemende erosie. Nepal exporteert via de grote rivieren ongewild zijn beste land naar Bangladesh.

De neerwaartse spiraal wordt nog versterkt door de zeer snelle groei van de bevolking. Er moeten steeds meer monden worden gevoed en dat wordt steeds moeilijker. Voor kleine landen zonder industrie of dienstensector, zonder ontwikkelde infrastructuur (meer dan 90% van de bevolking is nog niet op het lichtnet aangesloten, er zijn nog maar enkele geasfalteerde wegen), zonder geschoolde bevolking en zonder geld of natuurlijke hulpbronnen is er voor de korte en middellange termijn geen andere oplossing dan te proberen de landbouwproduktie te intensiveren, te verbeteren en te verhogen. Dat is de taak van de tientallen GO's en NGO's (spreek uit 'endzjieoos', non-governmental organizations), die tot in de verste uithoeken van het land hun kantoren, magazijnen en proefboerderijen hebben. De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat de kantoren vaak dicht, de magazijnen leeg en de proefboerderijen verwaarloosd zijn. Maar iedereen is dol op Nepal en dus zijn er altijd weer nieuwe ontwikkelingsprojecten en is er altijd wel weer een reden de mannen op het dorpsplein te laten samenkomen. Met de grote landbouwontwikkelingsprojecten die Basnyat heel levendig en met veel kennis van zaken beschrijft - hij werkt ook al meer dan twintig jaar in die sector - loopt het onveranderlijk slecht af. Een poging om de boeren ertoe te brengen op hun eigen land een soort bosbouw te bedrijven, slaat absoluut niet aan. De landjes zijn er te klein voor, de boeren willen geen schaduw op hun veldjes en zijn helemaal niet gediend van voor hen vreemde bomen en struiken, die dan ook nog eens op een voor hen ongewone manier gesnoeid moeten worden. Er waren al eens eerder nieuwe bomen geïntroduceerd en die bleken heel gevoelig te zijn voor allerlei insekten. Een snoeiwijze die geen rekening houdt met de vraatzucht van de vrij rondlopende geiten, is zinloos. De overwegingen van de boeren om niet deel te nemen aan een op het eerste gezicht heel rationeel opgezet project, waren dus zelf ook uiterst rationeel. Om heel andere, maar even begrijpelijke redenen kwam een prachtig project om 'duurzame' landbouw te stimuleren niet van de grond. De bedoeling was het natuurlijk evenwicht weer te herstellen en op langere termijn door zorgvuldig en afgewogen beheer een moderne vorm van de traditionele boerenzelfverzorging tot stand te brengen. Voor kleine, arme boeren, die net geleerd hebben met kunstmest en bestrijdingsmiddelen de opbrengst van hun land te verhogen, is dat geen aantrekkelijke en zelfs geen realistische optie. Hij wil een zo groot mogelijke zekerheid van een goede volgende oogst, een mislukte of te kleine oogst staat gelijk met honger lijden en schulden maken. Van het gebruik van bestrijdingsmiddelen zal een individuele boer niet afzien, zolang ook zijn buren dat niet doen. Ontbossing is een gruwelijk gezicht en een groot probleem: in één generatie is de helft van de bossen verdwenen. De regering en heel veel internationale organisaties proberen daar de laatste jaren wat aan te doen, maar veel helpt het niet. De bossen, die men eerder tot bezit van de staat had gemaakt, worden nu systematisch overgedragen aan de dorpen, die dan zelf voor het gebruik en het onderhoud moeten zorgen. Dat lukt maar heel moeizaam, al lijkt het wat beter te gaan nu er meer gestreefd wordt naar een directe betrokkenheid van de bewoners bij het beheer (en dus ook de opbrengst) van hun eigen bos. Snel gaat het in ieder geval niet, eindeloze bureaucratische procedures - een plaag van de eerste orde in Nepal - hebben ertoe geleid, dat in 15 jaar tijd niet meer dan 10% van het daarvoor in aanmerking komende areaal aan bos aan de plaatselijke bevolking is overgedragen. Daarbij moet men dus steeds bedenken dat de bossen voor de Nepali's van levensbelang zijn. Steeds moet er een keuze worden gemaakt tussen het bos, dat in eerste instantie nodig is voor het brandhout, en de grond waar het bos opstaat, die weer nodig is voor de uitbreiding van de akkers.

In de beste tradities van Wageningen is dit proefschrift niet simpelweg gericht op een verbetering van de technologie van de landbouw, maar op een verbetering van de kansen op acceptatie en overname van een bepaalde technologie. In die zin is dit ook vooral een sociaal-wetenschappelijk proefschrift, dat aansluit bij de oude landbouwvoorlichtingstraditie. Landbouwvoorlichting is allang niet meer de individuele boer vertellen en laten zien dat het beter kan, maar een gemeenschap van boeren helpen zelf tot een betere produktie te komen, waarbij beter inmiddels meer hoogwaardig en duurzaam dan meer en sneller is gaan betekenen. Dat is ook waar Basnyat voor Nepal naar op zoek is. Zijn onderzoek naar de praktijk van de landbouwvoorlichting en de introductie van innovaties in zijn eigen land is een litanie van treurigheid: instellingen werken op alle niveaus langs elkaar heen en werken elkaar vaak ook regelrecht tegen, goede aanzetten worden gesmoord in corruptie, bureaucratie of politieke twisten, er is gebrek aan mankracht, aan geld en aan middelen, overal heerst wantrouwen en er is vrijwel altijd gebrek aan begrip voor de bijzonder benarde situatie van de keuterboer, die met minimale middelen toch minstens moet proberen zijn eigen familie te voeden. Mij gaf het allemaal een gevoel van wanhoop en stagnatie, maar tot mijn verbazing komt Birendra Bir Basnyat tot een heel andere conclusie. Hij valt zijn eigen onderzoek af door op het laatst nog met een paar voorbeelden van wel geslaagde kleine projecten - bij één daarvan was hij zelf betrokken geweest - te komen en een heel opgewekt 'soft systems perspective' te ontwikkelen, dat sympathiek, maar ook wel heel erg soft aandoet. 'The need is to shift our emphasis from things to people', er is ook erg veel 'shared learning' nodig en 'the need is to view people as part of the solution'. Banaliteiten worden niet per definitie wijsheden als ze uit het Oosten komen. Maar ja, dr. Basnyat wachten in Nepal nieuwe en grote taken en daarvoor zal hij de energie en het optimisme toch uit iets anders moeten halen dan uit zijn eigen analyse. Mij heeft die in ieder geval genezen van mijn romantische verlangen om gehurkt in de deuropening van mijn Nepalese boerderijtje de zon achter de bergen te zien ondergaan. De beste plek om romantisch te hurken blijft toch de opening van een comfortabel Westers tentje. Dat ga ik maar weer eens doen.

    • Paul Schnabel