'Europa is een dans met vele partners'

De positie van grote landen in de Europese Unie moet worden versterkt, vindt de Britse minister van buitenlandse zaken DOUGLAS HURD. Een vraaggesprek in het Lagerhuis.

LONDEN, 22 JUNI. Twee jaar geleden schreven Britse kranten dat de minister van buitenlandse zaken, Douglas Hurd, ontslag zou nemen na ratificatie van het Verdrag van Maastricht door het Britse parlement. Hij zou murw zijn gebeukt door de voortdurende rebellie van de zogeheten Euro-sceptici binnen de Conservatieve Partij en meer tijd aan zijn gezin willen besteden.

'Europa' tikt nog steeds als een tijdbom onder het kabinet van premier Major en vandaag voorspelt The Daily Telegraph opnieuw een spoedig vertrek van Hurd. De minister zelf lijkt meer ontspannen dan ooit. Achterover leunend op de groene bank in het Lagerhuis volgt hij met onbewogen gezicht hoe een aantal opstandige backbenchers hun plaagstoten formuleren. “So soon?”, repliceert hij als een partijgenoot hem direct na het begin van het debat over de Europese top van volgende week in Cannes interrumpeert met de vraag of het juist is te veronderstellen dat het Verenigd Koninkrijk “niet zal behoren tot de Founding Fathers” van de Europese eenheidsmunt.

De flegmatieke Hurd laat zich niet zomaar uit het veld slaan. Dat blijkt tijdens het debat, en dat is ook te proeven in een gesprek dat hij gisteren na afloop daarvan had met Europese journalisten. “Ach, natuurlijk is het wel eens moeilijk”, reageert hij op de vraag of hij het niet beu wordt voortdurend een twee-frontenoorlog te moeten voeren - in Brussel én in eigen land, over Europa. Om er onmiddellijk aan toe te voegen: “Maar ik geef er de voorkeur aan een land te vertegenwoordigen waarin over dit soort zaken wordt gedebatteerd, dan een land waar de gevolgen [van Europa] wel worden gevoeld maar niet worden besproken.”

En op de vraag of hij denkt er volgend jaar nog bij te zijn als de EU-lidstaten het Verdrag van Maastricht onder de loep nemen, reageert hij: “Oh, dat weet ik niet. Daar kan ik niet op antwoorden. Maar ik ben zeer relaxed.” Zijn woorvoerder verwijst later het bericht van The Daily Telegraph als “pure speculatie” naar de prullenbak. “Oh, ze schrijven al eeuwen dat Hurd zal vertrekken. Allemaal roddels.”

Tijdens zijn optreden in het Lagerhuis - waarbij hij opmerkt dat hij persoonlijk voorstander is van het houden van een Brits referendum over toetreding tot de Economische en Monetaire Unie (EMU) - toont Hurd zich opmerkelijk optimistisch dat bij de herziening van 'Maastricht' de andere EU-lidstaten de Britse opvattingen over de toekomst van Europa zullen overnemen. De ideeën van een 'federaal' Europa, met een sterk machtscentrum in Brussel, worden volgens hem voorgoed verlaten. De zogeheten Intergouvernementele Conferentie (IGC), die volgend jaar begint, zal geen nieuwe blauwdruk opleveren voor Europa, maar slechts leiden tot bescheiden aanpassingen. De conferentie zal minder ambitieus zijn dan die in Maastricht van 1991, verwacht Hurd.

Politici die campagne voerden voor “de Verenigde Staten van Europa”, zoals de Duitse bondskanselier Kohl, doen dat niet langer, legt Hurd uit in zijn werkkamer in het Lagerhuis. Specifiek Britse thema's als budgetdiscipline, decentralisatie, deregulering, uitbreiding en vrijhandel werden een aantal jaren geleden nog als “irreëel” beschouwd, maar zijn nu gemeengoed geworden.

“Natuurlijk zijn er nog wel mensen die het ouderwetse idee van een sterk centralistisch Europa aanhangen. Maar ik ben er vrij zeker van dat het die kant niet zal opgaan en dat uiteindelijk de Britse opvattingen zullen worden overgenomen. Dat is namelijk de enige manier waarop Europa kan worden gebouwd, in overeenstemming met ieders wensen.

“In Maastricht hebben we een verdrag gesloten waarvan we allemaal weten dat het een compromis was. De Deense bevolking heeft het aanvankelijk afgewezen. In Frankrijk werd het bijna verworpen. Het Britse parlement stemde het bijna weg. In Duitsland stelde het [Constitutionele] Hof aanvullende voorwaarden. Iedereen beseft nu: dat is niet de weg die onze kiezers op willen.”

Hurd, die in oktober 1989 John Major opvolgde op het Foreign Office, zegt dat zijn land met “een positieve agenda” aan de IGC zal beginnen. Ook al komt die conferentie eigenlijk “te vroeg” na invoering van Maastricht, reden waarom de Britse regering “niet zal aandringen op snelle resultaten”. Hurd wil wel dat het EU-voorzitterschap wordt versterkt. Het huidige systeem waarbij om de zes maanden wordt gerouleerd, is “nogal absurd”. Een alternatief zou kunnen zijn om drie of vier landen tegelijkertijd, met daarbij altijd één groot land, een soort 'teamvoorzitterschap' te laten vervullen gedurende een jaar, aldus Hurd. Ook wil hij dat de grote lidstaten een groter stemgewicht krijgen in de ministerraden, meer in overeenstemming met hun bevolkingsaantallen. Ruim een jaar geleden ontstond daarover al een diepe crisis met de 'kleine' lidstaten toen werd gesproken over de uitbreiding met Oostenrijk, Zweden en Finland.

Vastberaden is Hurd in zijn opvatting dat het buitenlands beleid van de EU via 'intergouvernementele' samenwerking vorm moet krijgen. Daarbij is geen plaats voor 'communautaire' besluitvorming, waarbij met meerderheid van stemmen beslissingen worden genomen. Toepassing van het meerderheidsprincipe heeft de totstandkoming van de Europese 'interne markt' een geweldige stimulans gegeven. Maar economie is wat anders dan diplomatie. Loslaten of verzwakken van het consensusmodel om besluitvorming op het gebied van de buitenlandse politiek te forceren, zou “een fout” zijn, zegt hij. “Ik kan niet één voorbeeld opnoemen in de afgelopen vijfeneenhalf jaar dat ik minister ben, waarin dat zou hebben bijgedragen aan verbetering van de effectiviteit van het buitenlandse beleid van de EU. Het omgekeerde kan ik me wel voorstellen.

“Ik geloof zeker in versterking van de Europese buitenlandse politiek. En ik weet uit ervaring hoe je dat kunt bereiken: door discussie, door overeenstemming en door actie. We zijn nog steeds zwak op het punt van discussie en daardoor op gebied van actie. We nemen [in de Europese ministerraad] nog te veel beslissingen onder het genot van een kopje koffie, zonder dat we over een stuk papier beschikken, waarop de opties staan uitgewerkt. Op Europees niveau handelen we amateuristisch, terwijl we in ons eigen land als professionals bezig zijn. Er is dus genoeg behoefte en ruimte voor verbetering en ondersteunende versterking van de ministerraad. Maar dat bereik je niet door meerderheidsbesluiten te nemen.”

Die mening wordt gedeeld door Frankrijk, dat, met president Chirac aan het roer, de laatste tijd steeds meer toenadering lijkt te vinden tot Groot-Brittannië. Beide landen namen het initiatief tot de oprichting van de snelle-reactiemacht ter versterking van UNPROFOR in Bosnië, waarbij ook Nederland zich heeft aangesloten. “In mijn ogen is president Chirac heel goed begonnen”, zegt Hurd. Maar hij onderstreept dat er niet zoiets groeit als een Frans-Britse cohabitation die een dominante positie in Europa nastreeft. Europa is voor Engeland “een dans met vele partners”, zegt de minister om aan te geven dat Londen op sommige terreinen goed kan opschieten met Parijs en op andere gebieden weer opvattingen deelt met landen als Duitsland, Denemarken en Nederland of zuidelijke lidstaten.

Wederzijds begrip en samenwerking tussen Frankrijk en Groot-Brittannië is alleen maar toe te juichen, maar dat mag niet worden uitgelegd als een verzwakking van de Frans-Duitse as, betoogt Hurd. “Het is geen kwestie van rivaliteit. Het is niet in ons belang als de relaties tussen Frankrijk en Duitsland zouden bekoelen. Integendeel, de Frans-Duitse as is ook belangrijk voor ons. Alleen willen wij niet dat er sprake zou zijn van een exclusieve band. We willen niet buitengesloten worden. Daarom verzetten wij ons vorig jaar ook tegen de kandidatuur van [de Belgische premier] Dehaene [voor het voorzitterschap van de Europese Commissie]. Het ging ons om niet om Dehaene, maar om het feit dat hij achter gesloten deuren door Duitsland en Frankrijk werd uitgekozen. Weinig mensen hadden vorig jaar de moed om het hardop te zeggen, maar de meeste [lidstaten] hebben in die zaak tegen ons gezegd: bravo! We houden er niet van als dingen buiten ons om gebeuren.”

Hurd werd niet verrast door Chiracs aankondiging dat Frankrijk zijn programma voor kernproeven tijdelijk zal hervatten. “We wisten allen dat Chirac deze beslissing moest nemen”, nadat voorganger Mitterrand het testprogramma had opgeschort. Wel nieuw is dat Parijs heeft toegezegd het verdrag te zullen ondertekenen voor het verbieden van kernproeven in de toekomst. “Daarom hebben we Frankrijk ook niet gekritiseerd.”

    • Wim Brummelman