EU voelt niets voor televisie-quota

LUXEMBURG, 22 JUNI. Een half jaar lang heeft Frankrijk zich verbeten ingezet voor aanscherping van de quota voor Europese televisieprogramma's. Het is er echter niet in geslaagd zijn ambitieuze plan waar te maken. In plaats van extra protectionistische maatregelen om de Europese audiovisuele industrie te beschermen, zal de Europese Unie de komende vijf jaar 310 miljoen ecu uittrekken voor een stimuleringsfonds voor de produktie en de distributie van films en voor opleidingen in de audiovisuele sector. Dat bleek gisteren na een bijeenkomst van de Europese ministers van cultuur in Luxemburg, de laatste cultuurraad onder Frans voorzitterschap. “Het quota-onderwerp is nog niet genoeg gerijpt”, concludeerde de Franse minister van cultuur Philippe Douste-Blazy.

Frankrijk, het afgelopen half jaar voorzitter van de Europese Unie, had cultuur in het algemeen en de televisiequota in het bijzonder, tot één van de prioriteiten van zijn voorzitterschap gemaakt. Parijs is vurig voorstander van het aanscherpen van quota voor Europese filmprodukties, om de dominante rol van 'Hollywood' tegen te gaan en de verlieslijdende Franse filmindustrie te steunen. Nu al moet in de Europese Unie ten minste 51 procent van de televisieprogramma's van Europese makelij zijn, maar dit voorschrift kan ontdoken worden via een clausule dat bepaalt dat het minimum geldt “waar mogelijk”. Die twee gewraakte woorden wilde Frankrijk schrappen.

Tijdens een bijeenkomst van de cultuurministers in februari in Bordeaux deed de toenmalige minister van cultuur Jacques Toubon een dramatische oproep de Europese cultuur niet verloren te laten gaan en het Franse plan te steunen. Maar Frankrijk, dat in het verleden nog steun kreeg van zuidelijke lidstaten, bleek alleen te staan in zijn strijd tegen het Amerikaanse 'cultuurimperialisme'. De andere EU-lidstaten, Groot-Brittannië en Duitsland voorop, zien niks in protectionistische maatregelen. “Quota om mensen te dicteren naar welke programma's ze moeten kijken, werken niet”, aldus een Britse woordvoerder gisteren. “Zo kan een industrie steeds minder concurreren.” Groot-Brittannië zou het liefst zien dat de quota helemaal worden afgeschaft.

Ook commissievoorzitter Jacques Santer heeft zich al in een vroeg stadium uitgesproken voor een liberaal beleid met stimulerende maatregelen. Hij haalde het voorbeeld aan van zijn eigen land, Luxemburg, waar met behulp van financiële prikkels aan investeerders in korte tijd vanuit het niets een bescheiden filmindustrie is opgezet. Toch kwam de commissie, op aandrang van Frankrijk, in maart met een voorstel waarin de quota wel werden aanscherpt. De enige concessie aan de tegenstanders van quota was dat de termijn werd beperkt tot tien jaar. Maar tien jaar, wierpen de tegenstanders tegen, is een eeuwigheid in de zich snel ontwikkelende audiovisuele industrie. Op een bijeenkomst van de cultuurministers in april werd de discussie over het commissievoorstel door de Franse voorzitter vermeden. Waarschijnlijk voelde Frankrijk toen al aan dat zijn felbegeerde protectionistische maatregel het niet zou halen.

Tijdens de bijeenkomst gisteren heeft Frankrijk de hoop moeten opgeven dat het de quota onder zijn voorzitterschap kon aanscherpen. “De Fransen dachten te kunnen scoren met de quota maar ze hebben het laten lopen”, aldus een Nederlandse diplomaat na afloop van de bijeenkomst. De quota staan officieel op de agenda voor de Europese top van Cannes, begin volgende week, maar zullen daar niet eens meer ter sprake worden gebracht. Het onderwerp is doorgeschoven naar Spanje, komend halfjaar voorzitter van de EU. In ruil voor de quota kreeg Frankrijk gisteren de toezegging dat 310 miljoen ecu wordt uitgetrokken voor het Europese steunfonds voor de filmindustrie, het zogeheten Media II programma.

Vooral Groot-Brittannië, Nederland en Duitsland vonden dat bedrag, dat de afgelopen vijf jaar nog 200 miljoen ecu was, eigenlijk te hoog. Aanvankelijk stelde de Commissie een verdubbeling voor van het huidige budget, maar daarmee konden zij niet akkoord gaan. “Wij waren, met de Britten en de Duitsers, aan de zuinige kant”, zei de Nederlandse staatssecretaris van cultuur Aad Nuis gisteren. Met 310 ecu konden de drie wel leven, mits er niet meer over het aanscherpen van de quota werd gesproken. “Duitsland heeft gezegd, we willen dan ook verlost zijn van de quota”, aldus Nuis, die zich bij de Duitse opmerking aansloot.

De Europese cultuurministers zijn gisteren overeen gekomen dat van de 310 miljoen ecu onder andere een proefproject wordt gefinancierd, dat distributeurs moet aanmoedigen te investeren in de produktie en aankoop van Europese films. Een distributeur die een film op de markt heeft gebracht, kan geld krijgen uit het fonds naar rato van het aantal bezoekers dat zijn film trekt. Het gaat om films die in omloop zijn gebracht buiten het produktieland. Het project geldt voor twee jaar.

Behalve het fonds voor produktie, distributie en opleiding presenteerde Eurocommissaris van cultuur, Marcelino Oreja, gisteren een voorstel voor een financieringsfonds voor films. Dit fonds is bedoeld als garantie voor geldschieters die in Europese films investeren. Volgens Oreja moet voor dit fonds 200 miljoen ecu worden uitgetrokken, opdat het voor 1 miljard ecu aan investeringen oplevert. Het commissievoorstel is nog niet officieel, maar Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië zouden er positief tegenover staan. Ook verzekeringsmaatschappijen hebben al hun interesse getoond voor dit plan.

In het debat van het afgelopen half jaar over het al dan niet aanscherpen van filmquota hebben de Amerikanen, voor wie audiovisuele diensten het op een na grootste exportprodukt is, zich opvallend stil gehouden. Dat was twee jaar geleden wel anders, toen Frankrijk voorstelde de Europese film- en televisie-industrie buiten het GATT-akkoord over liberalisering van de wereldhandel te houden. Dat voorstel leverde onmiddellijk felle negatieve reacties op uit de Verenigde Staten, maar haalde het toch.

Nu hebben de Amerikanen gekozen voor een terughoudende tactiek: zo lang ze in Europa nog kibbelen, kunnen wij beter geen olie op het vuur gooien. Maar de Amerikaanse vertegenwoordiger bij de Europese Unie, Stuart Eizenstat, heeft er geen geheim van gemaakt dat hij meent dat de Europese audiovisuele industrie meer gebaat is bij een liberale politiek dan bij quota. Met steun voor de audiovisuele industrie, zoals gisteren in Luxemburg is overeengekomen, hebben de Verenigde Staten minder moeite dan met aanscherping van de quota.