Een retourtje Pwnt: heen . . .

Het spreekt vanzelf dat ook de afstanden tot de reisdoelen een belangrijke rol speelden in de zeereizen van Suez naar het zuiden en terug, in het bijzonder als zo'n 'retourtje' binnen het jaar moest plaatsvinden - en alleen zulke reizen zullen we hier bespreken. Hierbij is vooral de moeilijkheid van de terugreis zwaarwegend. Voor ons is het bovendien een probleem te weten waar de reis naar toe ging, want de historische bronnen geven wel namen, maar geen locaties. Dit vormt de kern van het vraagstuk van de vroegere retourscheepvaart in de Rode Zee.

Van twee van de bestemmingen weten we precies waar ze lagen. Een zo'n reisdoel waren de mijnen in de Sinaï. Op deze korte afstand waren er echter nauwelijks problemen met deze reis, ook niet wat betreft de terugkeer, en die zullen we hier dan ook niet verder bespreken. Waarschijnlijk deden de verder zuidwaarts varende schepen daar wel de haven Tor aan om water in te nemen. De reiziger Carsten Niebuhr die deze plaats in 1762 bezocht, bericht dat de Egyptische graanschepen die jaarlijks naar Djedda voeren, daar uitstekend drinkwater voor bijna niets konden krijgen. Waarschijnlijk gold dit in de Oudheid ook.

Onze aandacht gaat dus uit naar de verder weg gelegen reisdoelen, die, voor zover bekend, alle aan de Afrikaanse kust van de Rode Zee lagen. Het andere goed bekende reisdoel was de Ptolemaeïsche kolonie Adulis, waarvan de ruïnes vlakbij Zula liggen aan de gelijknamige baai in de kust van Erythtrea. De 'Periplus de Mare Erythraei' (Zeilaanwijzingen voor de Zee van Erythrea) van omstreeks 110 A.D. vermeldt dat in die tijd de heerser van Adulis het Grieks nog goed beheerste. De Egyptische geograaf Kosmas Indikopleustes ontdekte hier omstreeks 550 A.D. het 'Monumentum Adulitanum', bestaande uit een Ptolemaeïsche troon en een tablet met een Griekse inscriptie van Ptolemaeus III Euergetes (r. 247-221 v. Chr.). Dit monument is sindsdien verdwenen.

Van de andere reisdoelen zoals het land 'Poent' is de locatie minder goed bekend. Omdat het windregime in de Rode Zee bepaalde hoe ver men naar het zuiden kon zeilen als men nog in het zelfde jaar wilde terugkeren, en omdat dit regime nogal variabel is, is het niet verwonderlijk dat de schattingen van de locatie van het land 'Poent' nogal uiteen lopen. Dit land wordt in de Egyptische bronnen vaak genoemd, en het heeft in de egyptologie een voorname rol gespeeld. De veronderstelde locaties aan de Afrikaanse kust gaan van Suakin, ongeveer halverwege de Rode Zee, tot hypothetische bestemmingen voorbij de Straat van Bab-el-Mandeb, zoals Somaliland en de baai van Tajura.

S⊘lver, die de Rode Zee goed kende, had deze kwestie als nautisch vakman grondig bestudeerd. Zijn conclusies wat de technische mogelijkheden betreft zijn nog geheel geldig. Hij oordeelde dat een locatie buiten de Rode Zee, dus voorbij de straat van Bab-el-Mandeb, niet in aanmerking komt. Hij dacht dat als het land 'Poent' het verste reisdoel zou zijn geweest, het in de omgeving van Zula Baai zou moeten worden gezocht. In ieder geval maakt de aanwezigheid van de resten van de Ptolemaeïsche kolonie Adulis het waarschijnlijk dat deze als bestemming voor de Egyptenaren te bereiken was zonder dat de reis jaren kostte.

De fysische, etnische en geografische kenmerken van het gebied waar dit land gezocht moet worden, zoals die door de egyptoloog Kitchen in zijn bespreking en modificatie van de uitvoerige publikatie van Herzog over dit onderwerp in 1971 zijn vastgesteld, zijn hiermee in redelijke overeenstemming. Dit gebied strekt zich uit van het noordelijk deel van de kust van Erythrea tot aan de Soedanese grens, het binnenland in tot aan de bovenloop van de Witte en van de Blauwe Nijl. Het wonderlijke is dat Kitchen zich bij het schrijven van zijn erudiete verhandeling blijkbaar niet op de hoogte had gesteld van het werk van nautische deskundigen die zich met het 'Poent'-probleem hadden beziggehouden, van wie S⊘lver de voornaamste was. In dit opzicht zullen we zijn werk moeten corrigeren, zoals hijzelf het werk van Herzog corrigeerde, die geloofde dat de Egyptenaren niet over de Rode Zee, maar uitsluitend via de Nijl naar het land 'Poent' voeren. Dit is om redenen die Kitchen duidelijk maakt, onmogelijk te handhaven.

Herzog geeft een samenvatting van het taalkundig aspect van de naam van het land 'Poent': het is een transcriptie van het oud-Egyptische 'Pwnt', dat alleen met medeklinkers is gespeld, zoals bij Semitische talen gebruikelijk was. Bij de traditionele transcriptie 'Poent' wordt de 'w' als 'oe' uitgesproken, zoals in het Welsh. Behalve 'Poent', ook geschreven als 'Punt', Pount' en 'Pun' (in het laatste geval hield men rekening met de mogelijkheid dat de 't' aan het eind een door de Egyptische schrijvers toegevoegde suffix was) heeft men in het verleden ook vocalisaties voorgesteld zoals: 'Pownet', 'Pyene', 'Pouanit' en 'Pwani'. We zullen hier verder de niet-gevocaliseerde vorm 'Pwnt' schrijven.

Het curieuze is dat in twee kaarten uit het oeuvre van de geograaf Claudius Ptolemaeus uit de tweede eeuw van onze jaartelling, die even voor 1500 in gedrukte vorm werden gepubliceerd, klaarblijkelijk het eiland Dahlak Kebir tegenover Zula Baai als 'Panis' wordt aangeduid. Als dit niet een coïncidentie is, zou het goed overeenstemmen met de laatstgenoemde vocalisatie en ook met de door S⊘lver voorgestelde localisatie. Dat dit eiland, deel uitmakend van het land 'Pwnt', de eindbestemming zou zijn geweest lijkt niet onmogelijk, daar volgens de 'Admiralty Chart' alleen op dit eiland van de Dahlak archipel drinkwater te verkrijgen is, in het dorp Kubbani. Op dit eiland zou de Egyptische expeditie relatief veilig zijn geweest voor de roofzuchtige nomaden die de 'Periplus' vermeldt en die vermoedelijk ook in die tijd al langs de kust van de Rode Zee zwierven.

Het zou bovendien een aantal details die over het land bekend zijn verhelderen. Een zo'n detail zijn de onzeewaardig aandoende, expliciet als 'Pwntisch' aangeduide vaartuigen met driehoekige razeilen die zijn afgebeeld in het graf van een niet met name bekende edelman, vermoedelijk uit de tijd van Amenophis II (1425-1401 v. Chr.). Al waren ze voor een verre reis ongeschikt, ze zouden uitstekend gediend kunnen hebben om goederen van het vaste land naar het eiland te brengen. Al met al lijkt dit deel van de Erythreïsche kust, mèt het eiland Dahlak Kebir, een uitstekende kandidaat voor 'Pwnt'. Deze identificatie kan echter nog niet als vaststaand worden beschouwd.

Een andere bestemming die in de Egyptische bronnen werd genoemd is de 'mijn van Pwnt'. De Egyptische archeoloog Abdel Monem Sayed heeft deze geïdentificeerd met de resten van mijnen even ten noorden van Suakin ongeveer op 19ß8 NB, hetgeen in het geheel niet onwaarschijnlijk lijkt. Ongeveer een geografische graad ten zuiden van Suakin zou een ander reisdoel kunnen liggen, de door Ptolemaeus II Philadelphus gestichte kolonie Ptolemaïs Theron, Ptolemaïs van de Jacht, aan de mond van de Khor (een Arabisch woord voor een intermitterend stromende rivier) Barka. Op een nogal beschadigde stèle bij de plaats Tell-el-Maskhuta in Wadi Tumilat, niet ver van de stèle die Darius daar liet oprichten, gedenkt Ptolemaeus II Philadelphus de expeditie waarbij dit Ptolemaïs werd gesticht. Uit de tekst blijkt ook dat het doel van die jacht het vangen van olifanten was, en dat men inderdaad deze dieren over het kanaal verscheepte op de terugweg.

Ofschoon 'Pwnt'-produkten voor het eerst genoemd worden op het zogenaamde Palermo-tablet dat waarschijnlijk dateert van de regering van Sahure van de V-de dynastie (2510-2460 v. Chr.), zegt de vermelding niets over de weg waarlangs deze produkten Egypte bereikten. Dat hoeft niet over zee te zijn geweest, ze kunnen ook in die tijd via de Nijl Egypte hebben bereikt. 'Pwnt' is vooral bekend geworden door de afbeeldingen van een overzeese 'Pwnt'-reis die in opdracht van koningin Hatshepsut (1478-1458 v. Chr.) werd uitgevoerd, en die wordt verheerlijkt in haar tempel te Deir-el-Bahari. Een grote verscheidenheid van 'Pwnt'-produkten is op deze afbeeldingen te zien: behalve myrrhe, ook olifantstanden, exotische dieren, zoals mandrillen en giraffen enzovoort. We zullen deze afbeeldingen hier verder niet bespreken, maar we vermelden alleen dat een van de afbeeldingen een aanduiding geeft van de tijd van het jaar dat de Egyptische expeditie 'Pwnt' bezocht; een Egpytenaar die is afgebeeld terwijl hij vogelnesten uithaalt. Aangezien vogels in het zuiden van de Rode Zee omstreeks februari nestelen, betekent dit dat de expeditie zich daar toen bevond.

Dit past precies in het reisschema dat volgens S⊘lver identiek moet zijn geweest aan dat van de traditionele Arabische scheepvaart. Hij schrijft daar het volgende over: “Voor zover de Arabische scheepvaart terug te volgen is, vond ze plaats zoals heden ten dage - zuidwaarts in de herfst en in de winter, en noordwaarts in de vroege lente, om de zuidelijke wind in het noordelijke deel van de Rode Zee zoveel mogelijk uit te buiten. In de zomer houdt de scheepvaart vrijwel geheel op wegens het onstabiele weer en de ondraaglijke hitte.”

Het vertrek uit Suez vond dan begin oktober plaats en de aankomst te 'Poent' vermoedelijk eind januari. Op het laatste deel van het traject had men waarschijnlijk flink moeten roeien. De schepen van Hatshepsuts expeditie waren inderdaad uitgerust met riemen, zoals de reliëfs te Deir el-Bahari laten zien.

    • A. Wegener Sleeswyk