De val van Frankrijk

Op 22 juni 1940 - dat is dus vandaag precies vijfenvijftig jaar geleden - gaf Frankrijk zich over aan Duitsland. Dat gebeurde in dezelfde spoorwegwagon waarin ook in 1918 een Frans-Duitse wapenstilstand was getekend. Alleen waren de rollen nu omgekeerd: in 1918 accepteerde de Franse maarschalk Foch de onvoorwaardelijke overgave van de Duitse legers. In 1940 capituleerde de Franse maarschalk Pétain voor de Duitsers.

Hiermee was de meest verpletterende nederlaag uit de Franse geschiedenis een feit. Het hele proces had nauwelijks zes weken in beslag genomen. Op 10 mei 1940 waren de Duitse troepen hun aanval op het westelijk front begonnen en al op 17 juni liet maarschalk Pétain, die de dag daarvóór tot premier was benoemd, het Franse volk weten dat het de strijd moest staken: “Il faut cesser le combat”. In de Eerste Wereldoorlog hadden de Franse legers vier jaar stand gehouden. In de Tweede Wereldoorlog werden zij in een paar weken tijds onder de voet gelopen. Hoe valt dit verschil te verklaren?

Over deze vraag breken politici, militairen en historici zich nu al meer dan een halve eeuw het hoofd. Hun verklaringen zijn in hoofdzaak terug te voeren tot twee soorten: militaire en sociaal-psychologische verklaringen. De militaire verklaringen hebben, afgezien van technische kwesties als de omvang en kwaliteit van de bewapening, vooral betrekking op de gevolgde strategie. Militairen zijn, naar het bekende woord, altijd bezig met het winnen van de vorige oorlog. In ieder geval proberen zij daaruit lessen te trekken voor de volgende.

De Eerste Wereldoorlog was niet, zoals aanvankelijk werd verwacht, een korte oorlog, met enkele beslissende offensieven, geweest. Integendeel, hij was uitgelopen op een langdurige uitputtings- en slijtageslag. De Fransen trokken hieruit een les: de nieuwe oorlog moest defensief gevoerd worden. Zij bouwden een onneembare vestinglinie: de Maginotlinie. De Maginotlinie schiep echter niet alleen politieke problemen - hoe kon men een bondgenoot beloven hem te hulp te komen als men zich opsloot achter een vestinglinie? - maar ook een militair probleem: zij creëerde een vals gevoel van veiligheid en een afwachtende mentaliteit. Er was nog een militair probleem: een groot deel van de noordgrens bleef onbeschermd. Om economische en politieke redenen kon de Maginotlinie niet worden doorgetrokken tot aan het Kanaal. Dit hield dus de mogelijkheid open voor een Duitse inval van het type van 1914, namelijk via het noorden, kortom een nieuw Schlieffenplan.

Het Duitse invalsplan van 1940, Sichelschnitt, was inderdaad een soort Schlieffenplan, maar dan omgekeerd. De Engelse krijgshistoricus Liddell Hart heeft het Schlieffenplan van 1914 eens vergeleken met een draaideur: naarmate meer Franse troepen naar het oosten trokken om de Duitsers aan te vallen, konden de Duitse troepen makkelijker vanuit het noorden oprukken. Bij 'Sikkelsnede' draaide de deur de andere kant uit, tegen de klok in. De Franse legers trokken in mei 1940 België binnen om de Duitse aanval op te vangen. Naarmate meer troepen dat deden, werd het centrum meer verzwakt. De zorg hierover was echter niet groot, omdat de Fransen aannamen dat de hoofdaanval uit het noorden zou komen en niet via de voor een militaire opmars ongeschikt geachte Ardennen. Dat was precies wat de Duitsers hen wilden laten geloven. De aanval uit het noorden was echter, om nogmaals Liddell Hart te citeren, slechts “de mantel van de matador”, bedoeld om de aandacht af te leiden en elders toe te slaan. Dat laatste moest het XIXe Pantsercorps van Guderian doen. Dit rukte via de Ardennen op en vond slechts weinig weerstand. Zo konden zijn troepen snel doorstoten naar de kust en de noordelijke legers van de hoofdmacht afsnijden. De Duitse overwinning van 1940 was dus primair een strategische kwestie.

Hiernaast waren er ook tactische fouten, gebrekkige communicatiemiddelen en frequente commandowisselingen. Pétain bijvoorbeeld had meer vertrouwen in de postduif dan in de telegraaf. Hij prefereerde het 'colombogram' boven het telegram. Toen generaal Weygand op 19 mei het Franse opperbevel overnam van generaal Gamelin ontdekte hij dat het algemeen hoofdkwartier in het kasteel van Vincennes niet beschikte over radioverbindingen.

Militaire factoren alleen kunnen de nederlaag echter niet verklaren. De beroemde Franse historicus Marc Bloch, die zelf zowel in de Eerste als in de Tweede Wereldoorlog als reserve-officier heeft gediend, heeft dit al geconstateerd in een boek dat hij kort na de nederlaag schreef: L'Etrange Défaite. Hij beschreef hierin onder andere de mentaliteit in het Franse officierskorps. Velen van zijn mede-officieren beschouwden de Amerikaanse president Roosevelt als een halve en de Franse premier Blum als een hele bolsjewiek. Deze mentaliteit was karakteristiek voor het Franse interbellum. De jaren '30 waren in Frankrijk een periode van extreme politieke en sociale verdeeldheid. 'Links' met zijn pacifistische en antimilitaristische traditie kon nauwelijks tot een duidelijke en krachtige internationale politiek komen. 'Rechts', traditioneel anti-Duits maar gecharmeerd door de ideeën van de Führer, was evenmin tot een duidelijke politiek in staat. 'Liever Hitler dan Blum' was een leuze die in deze kringen opgeld deed.

In deze afkeer van Blum en het Volksfront kwam de grote Franse anti-republikeinse traditie opnieuw tot leven. Dit leidde tot een merkwaardige paradox. Het Franse nationalisme kwam vooral tot uiting in kritiek op het bestaande sociale en politieke bestel. Niet de grootheid, maar het verval van Frankrijk was het dominerende thema ervan. De Franse nationalisten verkondigden dagelijks de ondergang van land en volk. Alleen een grote beproeving kon tot zuivering en herstel leiden. In deze gedachtengang kreeg de nederlaag iets positiefs: dit was de beproeving die Frankrijk moest doorstaan alvorens zich te kunnen herstellen. De aartsbisschop van Lyon noemde Pétain de incarnatie van het lijden van Frankrijk. Verrassend genoeg leidde het nationalisme zo dus tot Pétain en Vichy, dat wil zeggen tot collaboratie en verraad.

Uiteindelijk kan men zich echter ook de vraag stellen of het überhaupt anders had kunnen lopen. Hoe kon een volk dat zoveel had geleden als het Franse volk in de Eerste Wereldoorlog twintig jaar later opnieuw bereid worden gevonden tot het verdragen van een soortgelijke beproeving? Een dictatuur als die van Hitler, geïnspireerd door gevoelens van haat en wraak, kon een volk tot zoiets brengen, een democratie niet. Dit keer bleek het Franse volk in ieder geval tot zo'n daad van wilskracht niet in staat. Ditmaal was de beurt aan Engeland. Zoals Frankrijk in 1914-18 had Engeland in 1940-45 zijn finest hour. Veel van de huidige verschillen tussen de politiek van deze beide landen zijn tot deze zo verschillende oorlogservaringen terug te voeren.