Begin van reiniging onderwaterbodems

Na de afsluiting van het Haringvliet veranderde de benedenloop van Rijn en Maas in een bezinkput. Voor 1970 zorgden eb en vloed voor doorspoeling van Nieuwe Merwede, Biesbosch, Hollandsch Diep en Haringvliet. Toen het water tot rust kwam, bezonk er een grote hoeveelheid slib met daaraan vastgehecht allerlei verontreinigingen zoals zware metalen, pak's en pcb's. Deze zomer begint Rijkswaterstaat een proef die duidelijk moet maken hoe je de grote schoonmaak van rivierbodems aanpakt.

Ter hoogte van kilometerraai 968 klotst het water van de Nieuwe Merwede niet meteen tegen basaltstenen. Tussen de waterlijn en de dijk bevindt zich nog een rietgors dat vlak voor de dijk overgaat in een - verwaarloosd - griend. Deze plek onder de gemeente Werkendam heeft Rijkswaterstaat, samen met nog een andere plek in de Biesbosch, uitgekozen om een pilotsanering uit te voeren. Begin september zal tussen twee kribben 47.000 kubieke meter slib uit de rivier worden opgebaggerd, waarbij ook een deel van de vegetatie wordt afgegraven.

“Want uit het waterbodemonderzoek is gebleken dat juist het milieu rond de oevers nadeel ondervindt van het vervuilde slib dat zich er heeft afgezet”, zegt drs. J.W.M. Kuijpers, hoofd planvorming water bij de Directie Zuid-Holland van Rijkswaterstaat. “Via de waterplanten en de bodemdieren, die de vervuiling in hun systeem opnemen, worden vissen en vogels die er hun voedsel zoeken, aangetast. Ook het bodemleven zelf is ernstig verstoord: er zitten te weinig aaltjes, wormpjes en muggelarven in de bodem.”

Baggeren en afvoeren is het antwoord. Plannen om er een speciaal baggerdepot voor in te richten, zijn een eind op streek. Kuijpers: “Het streven is om in 1997 een stortplaats in het Hollandsch Diep in gebruik te nemen. Maar het is niet de bedoeling om alle baggerspecie zonder meer af te voeren naar dat depot. Dan zou het te snel vol zijn.”

Daarom heeft Rijkswaterstaat het Programma voor Ontwikkeling van Saneringsprocessen van Waterbodems opgezet. Dr. W.A. Bruggeman, hoofd van de afdeling milieutechnologie van het Riza, is coördinator van dit programma. “Op laboratorium-schaal zijn de afgelopen jaren verschillende technieken getest om de bestanddelen van specie te scheiden en delen daarvan opnieuw te gebruiken. Het wordt tijd die op grotere schaal uit te proberen.”

Tot die nieuwe technieken horen hydrocyclonage en thermische immobilisatie. Bruggeman: “Een hydrocycloon is een soort trechter, waar zand en slib in een draaikolk van elkaar worden gescheiden. Aan de specie wordt water toegevoegd en dat alles gaat de hydrocycloon in. Door de hoge snelheid in de draaikolk wordt het zwaardere zand tegen de buitenwand geslingerd, waarna het naar beneden zakt, terwijl het lichtere materiaal blijft zweven.”

Door de specie door een reeks van achter elkaar geplaatste hydrocyclonen te voeren, kan de modder worden gescheiden in grof zand, fijn zand en slib. “Het grove zand is het schoonst, het slib het meest vervuild. Dat komt, doordat de meeste verontreinigingen zich aan de fijne kleideeltjes en het organisch materiaal hechten.”

Het grove zand hoeft alleen nog nagespoeld te worden en kan dan worden teruggestort in de rivier. Het fijnere zand is licht verontreinigd, maar kan nog wel worden gebruikt. Als ophogingszand bij de bouw van wegen bijvoorbeeld.

Naverwerking

Het slib vraagt de meeste naverwerking. Allereerst wordt het over een lopende band door een zeef geduwd om er zo veel mogelijk water uit te persen. Eenmaal droog wordt het slib verhit, zodat het verandert in gebakken kleikorrels of steen. De organische verontreinigingen verbranden dan; de zware metalen worden vastgelegd, geïmmobiliseerd, in de kristalstructuren. Voor de verglaasde en versintelde brokken slib bestaan volgens Bruggeman nieuwe mogelijkheden. “Het kan bijvoorbeeld worden gebruikt als vervanger voor grind of als alternatief voor basaltstenen in de glooiing. Ook kan het dienen als grondstof voor cement.”

Uit de proefsanering moet blijken of dit economisch verantwoord kan worden uitgevoerd. Bruggeman: “Uit laboratoriumproeven weten we dat het kan, nu moeten de aannemers laten zien dat ze in een half jaar tijd zo'n drieduizend kubieke meter bagger kunnen verwerken. Maar echt grootschalig reinigen van baggerspecie is pas mogelijk als er zo'n 50.000 ton per jaar kan worden verwerkt.”

Behalve duidelijkheid over de reinigingstechniek wil Rijkswaterstaat ook inzicht krijgen in de uitwerking op de bodem van de ingreep en in de gevolgen voor flora en fauna.

“Daarom is er gekozen om meer weg te baggeren dan de 3000 ton die wordt geïmmobiliseerd”, zegt Kuijpers. “We willen een redelijk groot stuk onder handen nemen om te kunnen zien, wat er daarna gebeurt. Hoe herstelt het milieu zich?” (Het slib dat niet wordt verwerkt, wordt afgevoerd naar de Papegaaiebek op de Maasvlakte.)

Om diezelfde reden is er voor gekozen om de proef over twee lokaties te verdelen. “De andere plek waar we zullen baggeren, ligt in de Biesbosch, in het Spijkerboor om precies te zijn.” Volgens Kuijpers is dat gedaan om verschillen in uitwerking tussen Rijn- en Maasslib te kunnen aantonen. “De Nieuwe Merwede is deel van de Rijndelta. Het slib dat dit water meevoert, is de laatste jaren schoner geworden. Daar ligt het meest vervuilde slib inmiddels onder een - later afgezet - schoner laagje. In het Spijkerboor staat het echt vuile Maasslib nog direct in contact met het water erboven.” De proefsanering moet aantonen wat het effect van het weghalen van dat smerige bovenlaagje is voor het bodemleven. “Nu treffen we in het Spijkerboor aaltjes aan in een dichtheid die varieert tussen de tien en dertig per bodemmonster. In schone gebieden kan dat oplopen tot ruim vijfduizend. Interessant is om te kijken of het weghalen van het vuile slib tot een toename leidt. Ook willen we weten hoe snel er nieuw slib wordt afgezet en wat de kwaliteit daarvan is.”

Proefsanering

Is het niet zinloos om in de Biesbosch met een schoonmaak te beginnen, als de kwaliteit van het Maaswater nog steeds slecht is? Kuijpers: “Het is niet zo dat er helemaal geen verbetering waarneembaar is. Vergeleken met een jaar of tien geleden is er wel iets ten goede veranderd.”

Bovendien speelt er nog iets anders mee. “Het Rijnslib mag dan schoner heten, uit biologische test blijkt dat sommige organismen slechter reproduceren in slib dat de Rijn meevoert dan in dat van de Maas. Dat duidt erop dat er stoffen in zitten die we niet meten. Met andere woorden: we weten niet welk effect je aan welke stof moet toeschrijven.”

De proefsanering zelf duurt hooguit enkele maanden, maar het volgen hoe de waterplanten, de oeverbegroeiing en het bodemleven zich ontwikkelen, zal veel langer vergen. Pas over enkele jaren denkt Kuijpers te kunnen zeggen of het zinvol is om al het verontreinigde slib weg te halen.