Woorden leren, huiswerk maken, dat deed hij niet

Zo is de situatie, dat een arme Turkse donder, een timide jongen van vijftien, zestien jaar, misschien een half jaar in Nederland maar nog geen vier maanden bij ons op school, de volgende vraag krijgt voorgelegd: “De afstand tussen mensen en natuur wordt steeds groter. Wat is daarvan de oorzaak, volgens u?” Of hij die vraag even schriftelijk wil beantwoorden.

Wat, wat begreep de Turkse Ilhan van deze vraag? Ik ben er nooit achter gekomen. Zo luidde zijn antwoord:

De oorzaken is alle dag hebben oksijen alle mensen moeten oksijen pakken en andere oorzak is het lucht maktte altijd heel mooi.

Het was onmogelijk Ilhan onbewogen aan te zien. Hij was zo gewoon, zo onopgesmukt gewoon; hij pretenteerde niets. Hij droeg het soort kleren dat hem warm hield, goedkoop, grauw, half versleten. Er was niets vlots, niets modieus aan Ilhan.

Hij was nooit lastig, nooit onwelwillend, maar straalde een naief soort optimisme uit - gezien de beperktheid van zijn mogelijkheden des te ontwapenender. Ilhan was niet bang voor het leven. Hij wachtte eenvoudig af, goedmoedig, wat het voor hem in petto had: hij leek met weinig tevreden.

Alles aan de jongen wees erop dat hij zijn hele leven nooit anders dan dupe zou zijn - dupe, vooral, van zijn eigen goedheid. Hij woonde nu in Nederland, waar hij de taal niet sprak, de weg niet kende. Meer dan in Turkije was hij hier van anderen afhankelijk.

Het lot had hem naar de Amsterdamse Pijp gevoerd, naar de afdeling 'eerste opvang' van onze school. Daar moest hij nu, na de taalcursus van de eerste acht weken, aan de slag met Code Nederlands deel II, basisleergang Nederlands voor volwassen anderstaligen - geen eenvoudig boek. Ilhan onderging alles.

Maar het was een taaie jongen en hij liet zich niet kennen. Tussen al die andere leerlingen uit 'internationale schakelklas' 5, tussen het opgewonden standje Ahmed uit Marokko, die in theatrale verontwaardiging zijn tafel omgooide en de klas uitliep toen ik hem op spieken betrapte en hem prompt een één gaf; de twee meisjes uit Bosnië en de twee uit Kroatië, alle vier in Levis 501; de intelligente Milan, ook in 501 en ook uit Bosnië, begenadigd tennisser en basketballer, wiens vlucht uit Sarajevo begonnen was met een driedaagse mars door de bergen, samen met zijn oom, en die, omdat het hem hier te langzaam ging, de idioot van de klas begon uit te hangen, samen met Aleksander uit Moskou, die hier het spoor bijster was; de slimme, blonde Fiona uit Zuid-Afrika, op 't oog een uiterst burgerlijk, net meisje, dat in de pauzes met de stoere jongens meerookte: de lieve, half-Nederlandse Mimi uit de Filippijnen, die op uitgerekend de praatjesmaker Ahmed verliefd werd; de rustige Rodrigues, ladiesman-in-wording uit Colombia, die eens een slang mee naar school had genomen die hij van de wiskundeleraar niet in zijn tas mocht laten zitten maar in zijn kluisje moest stoppen - de slang ontsnapte uit het kluisje, god mag weten hoe, en werd nooit meer teruggevonden; de iets oudere Palestijnse macho Jamil uit Israel; de stille Özgül, dik, vlijtig meisje uit Turkije, de aalgladde intrigant Rachid, uit Marokko, bijna twee meter lang, die wat later in het jaar bij ons op school kwam, naast Ilhan in de bank schoof, en deze vroeg, het was zijn eerste vraag: 'Ken jij Hitler?'; tussen al deze leerlingen hield Ilhan zich zonder veel moeite staande, hij werd ook met rust gelaten, zijn aanwezigheid was onopvallend en vanzelfsprekend, als van de planten op de vensterbank. Ilhan hield zich staande, maar liep al snel achter.

Ieder werkte zich in zijn eigen tempo door de stof heen maar voor llhan, merkte ik, baatte een wat trager tempo niet; de leerboeken zelf waren hem te hoog gegrepen. Het was pijnlijk om hem bij het lezen van een tekst, bij het beantwoorden van vragen over die tekst, voortdurend in zijn woordenboek te zien bladeren - hij was niet iemand die aandacht voor zich opeiste. Sterker nog: als Rachid hem ongevraagd hielp, wees hij hem nukkig, met een half geheven elleboog, terug. Kennelijk had ook Ilhan zijn trots. Nog pijnlijker dan het voortdurende bladeren in zijn woordenboek was het dat ik niet de tijd had hem de hulp te geven die hij nodig had.

Dus worstelde hij voort in Code Nederlands (want zo is de situatie: veel keus was en is er nog niet voor leerlingen van deze leeftijd) en het werd een eenzaam gevecht. Met de vraag over de afstand tussen mens en natuur - de tekst ging over vervreemding - kon ik hem niet anders helpen dan te zeggen dat hij die tekst met bijbehorende vragen beter kon overslaan.

Maar, hoe slim was deze Ilhan nu eigenlijk? Samen met hem las ik de tekst over het weer in Nederland en ik kreeg de indruk dat hij die wel begreep. Een van de vragen daarbij luidde: “Wat voor weer was het gisteren in Nederland? En wat voor weer is het vandaag?” Ilhan schreef: Gisteren was het weer alle uur regent hadden en de wind beetje temperatuur is goed hadden, vandaag is het weer beetje normal maar misschien 'S middags regent. Dit was inhoudelijk het juiste antwoord, al had het grammaticaal zijn eigen logica. Het was echter een vraag die de meeste leerlingen al na een maand hadden kunnen beantwoorden. Zoveel als hij bij de wat moeilijkere teksten in zijn woordenboek bladerde ... wat deed Ilhan eigenlijk thuis, hoeveel woorden die hij niet kende had hij wel behoren te kennen? Ik vroeg hem hoeveel tijd hem het leren van de woorden kostte, hoeveel tijd hij per dag aan zijn huiswerk besteedde.

Hij lachte een beetje, verontschuldigend. Nee, nee, woorden leren, huiswerk maken, zei hij zacht, dat deed hij niet.

Ja, zei Ilhan, maar, kon niet, geen tijd, 's middags geen tijd, 's avonds geen tijd, als hij uit school kwam moest hij werken. Hij bleek dan zijn vader, die terzi - kleermaker - was, te moeten helpen. Na de uren op school, de uren achter de naaimachine, was hij te moe om nog woorden te leren, huiswerk te maken. Het was laat geworden, hij ging slapen.

Ik knikte begrijpend. Weer lachte Ilhan een beetje verontschuldigend, en haalde zijn schouders op.