Oorlogsweigeraars in Turkije moeten wachten op vonnis

ANKARA, 21 JUNI. Een militaire rechtbank in Ankara heeft gisteren de uitspraak in een proces tegen vier oorlogsweigeraars uitgesteld tot 29 augustus. Als officiële reden voor het uitstel werd aangevoerd dat er een wijziging was opgetreden in de groep rechters die zich met deze zaak bezighoudt. Maar algemeen wordt aangenomen dat het hier om een politieke beslissing gaat. Het is Turkije er veel aan gelegen dat het Europese Parlement later dit jaar de voorgenomen douane-unie tussen Ankara en Brussel ratificeert. Dit is alleen te verwachten als Turkije ingrijpende democratische hervormingen doorvoert.

De vier worden aangeklaagd voor 'pogingen om het volk van het leger te distantiëren' wegens een persconferentie in 1994, toen ze hun ideeën gaven over de oorlog in het Koerdische zuidoosten en opkwamen voor het recht om op grond van gewetensbezwaren dienst te weigeren. Dat is een algemene aanklacht tegen burgers die het leger en de rol van de militairen in Turkije - met name in het Koerdische zuidoosten van het land waar al ruim tien jaar een guerrilla-oorlog wordt uitgevochten met de Koerdische Arbeiders Partij (PKK) - ter discussie proberen te stellen.

Eerder werden onder anderen twee televisiemakers die een vraaggesprek hadden uitgezonden met een dienstweigeraar op grond van ditzelfde wetsartikel door een militaire rechtbank tot 2 maanden gevangenis veroordeeld. In hoger beroep werden ze vervolgens vrijgesproken. De vooraanstaande Turkse columnist en programmamaker Mehmet Ali Birand werd onlangs om dezelfde redenen tot vijf maanden gevangenisstraf veroordeeld.

Internationaal wordt dit artikel in het Turkse wetboek van strafrecht gezien als een manier om de vrijheid van meningsuiting te beperken, met name van de mensen die zich uitspreken voor vreedzame en niet-militaire oplossingen van de problemen in Turkije. In het huidige democratiseringspakket dat door de Turkse regering is opgesteld, is nog steeds niet het recht opgenomen om het leger te kritiseren en op grond van gewetens- of religieuze bezwaren dienst te weigeren. Vredesactivisten en organisaties van dienstweigeraars maken zich hierover grote zorgen.

De in 1982 onder de regie van het leger opgestelde grondwet bepaalt dat alle mannen ouder dan 20 jaar dienst moeten doen en dat dienstweigering onmogelijk en crimineel is. Desondanks kent Turkije een groot aantal dienstplichtontduikers en een groeiend aantal dienstweigeraars. De minister van defensie, Mehmet Gölhan, schatte hun aantal in 1993 op 250.000. Omdat deze praktijk gezien het jonge karakter van de Turkse samenleving de slagkracht van het Turkse leger niet daadwerkelijk ondermijnde, werden dienstplichtontduikers en deserteurs lange tijd nauwelijks vervolgd. Maar in december 1993 besloot Gölhan in te grijpen en gaf hij overtreders 3 maanden de tijd zich vrijwillig te melden. Wie daaraan geen gehoor gaf liep de kans tot maximaal drie jaar gevangenisstraf te worden veroordeeld. In de zomer van 1994 berichtte de bewindsman dat 50.000 dienstplichtontduikers zich hadden gemeld.

Inmiddels was in 1990 al een eerste poging gedaan om een beweging van dienstweigeraars in Turkije van de grond te krijgen. Het voortouw daarbij werd genomen door Tayfun Güonl, die zich, geïnspireerd door de campagnes van de Griekse dienstweigeraars, als eerste in Turkije publiekelijk als dienstweigeraar bekendmaakte. Op initiatief van Güonl werd in 1992 in Izmir, aan de Turkse westkust, een vereniging van dienstweigeraars opgericht, die in november 1993 officieel werd verboden. De enkele honderden activisten organiseerden zich vervolgens opnieuw. Datzelfde gebeurde in Istanbul.

Sinds de oprichting van deze verenigingen hebben 14 mannen in Turkije openlijk verklaard dat ze weigeren de dienstplicht te vervullen. De aandacht van de Turkse autoriteiten richt zich evenwel niet op hen, maar op de activisten om hen heen. Volgens Osman Murat Ülke, voorzitter van de Vereniging van oorlogsweigeraars in Izmir, wil men op die manier voorkomen dat er 'martelaren' worden gecreëerd.

In Ankara verzamelde internationale waarnemers, onder wie die van de Nederlandse Vereniging van Dienstweigeraars, hebben gisteren in een verklaring opgeroepen om de vier aangeklaagden vrij te laten. “Men kan hen niet tot criminelen bestempelen omdat zij gebruikmaken van de vrijheid van meningsuiting en een persconferentie organiseren.”