Onverschillige overheid bedreigt het feest der democratie

'Politiek is er niet voor om mensen gelukkig te maken', schreef Mark Kranenburg onlangs naar aanleiding van de referanda in Amsterdam en Rotterdam. Maar waartoe dan wel?, vraagt Rik Smits zich af. Hij waarschuwt tegen de vijandige of op zijn best onverschillige overheid, die onder politici en ambtenaren aan populariteit zou winnen.

De bewering van Mark Kranenburg - “Politiek is er niet voor om mensen gelukkig te maken” (14 juni) - maakt deel uit van een bijdrage die grosso modo neerkomt op een pleidooi tegen de invoering van het referendum in welke vorm dan ook. Een opmerkelijk standpunt, dat de vraag oproept waar politiek dan wel toe dient. Die vraag is des te interessanter, omdat Kranenburgs ideeën de opvattingen van een belangrijk deel van de politici en bestuurders in Nederland lijken te weerspiegelen.

Als politiek er niet voor is om mensen gelukkig te maken - met andere woorden: tot heil en zegen van de gemeenschap door en namens wie zij bedreven wordt - dan zijn er nog drie mogelijkheden over: politiek dient een hogere macht zoals God of Allah, zij heeft tot doel de belangen van één bepaalde groep te bevorderen, of zij dient nergens toe maar bestaat eenvoudig, als een natuurverschijnsel.

Er zijn wel mensen die dienstbaarheid aan iets hogers als essentie van de politiek zien, ook in Nederland, maar dat zijn er niet veel. Te weinig in elk geval om dat antwoord aanvaardbaar te maken. Dat politiek tot doel heeft de belangen van een kleine groep te dienen, is een opinie die weliswaar met regelmaat aan de cafétafel en op de markt te horen valt, maar die niemand die het Nederlandse politieke bestel goed kent zal willen of durven onderschrijven.

Daarmee blijft als enige mogelijkheid over dat Kranenburg de politiek ziet als een natuurverschijnsel, dat geen doel, toets of rechtvaardiging behoeft. Een spel dat gespeeld moet worden omdat de stukken nu eenmaal op het bord staan. Een spel dat bovendien, net als ieder ander spel, slechts gespeeld kan worden door hen die de regels kennen.

Dat Kranenburg inderdaad die mening - of iets dat daarbij in de buurt komt - is toegedaan, blijkt uit de verdere strekking van zijn betoog. Dat komt erop neer dat referenda er vooralsnog vooral toe geleid hebben dat burgers “dwars door het bestuur heen lopen om zich vervolgens niet meer te bekommeren om de gevolgen”, terwijl politici niet, zoals PvdA-voorzitter Rottenberg beweerd heeft, in ivoren torens zitten, maar in “uitkijktorens van waaruit zij en ook alleen zij, het hele veld kunnen overzien”.

Met andere woorden, gewone burgers zijn onverantwoordelijke amateurs die zich niet actief moeten willen bemoeien met het politieke spel. Dat is voorbehouden aan de professionals, politici en bestuurders, die het monopolie hebben op de spelregels en op het inzicht in het spel als geheel. De rol van de burger blijft beperkt tot de verkiezingen: “Op dat moment kan de kiezer zijn eigen, bredere politieke afweging maken”.

Het is een opvatting van een bedenkelijk democratisch gehalte. De arme Montesquieu draait zich er ongetwijfeld bij om in zijn graf. Zelfs Abraham Kuyper was destijds nog genereuzer met zijn “voor u, over u, zonder u”. Immers, met zijn opvatting, dat politiek er niet is om de mensen gelukkig te maken, komt Kranenburg verdacht dicht in de buurt van een zuinig 'over u, zonder u' - behalve eenmaal per vier jaar.

Het blijft overigens een raadsel op welke gronden de kiezer, die immers niets van het politieke bedrijf begrijpt, dan wèl ineens een verantwoorde keuze zou kunnen maken. Zou hij bij die gelegenheid niet evenzeer achter de waan van de dag aan 'dwars door het bestuur' lopen? Het is een beklemmende gedachte, maar wie daar even bij stil staat kan slechts concluderen dat Kranenburg en allen die zijn visie delen verkiezingen nauwelijks serieus kunnen nemen.

Kranenburg verwoordt helaas opvattingen die in brede lagen van bestuur en politiek gemeengoed zijn geworden. Het vigerende model is niet langer dat van de overheid die dienstbaar is aan de bevolking, waarbij vertegenwoordigers van het volk de dienaren van het volk op de vingers kijken. In plaats daarvan is de vijandige of op zijn best onverschillige overheid gekomen. De overheid die zich recht tegenover de burger opstelt. Die zijn doelen nastreeft, en daarbij wel gefinancierd maar niet gehinderd wenst te worden door degenen door wie ze is aangesteld, of die ze zegt te vertegenwoordigen.

Veel van het moderne politieke en ambtelijke jargon getuigt van die opstelling. De vaak betrokken stelling, dat iets dat protesten oproept beter 'uitgelegd' had moeten worden, bijvoorbeeld. De merites van de beslissing in kwestie staan niet ter discussie, alleen het verkooppraatje. Of neem de populaire term 'klantgerichtheid'. Waar dienstbaarheid staat voor het streven het best mogelijke te bieden voor de laagst mogelijke prijs, is klantgerichtheid het streven naar het nog net acceptabele voor de hoogst haalbare prijs. Dat laatste is nu de norm.

Maar ook veel concreet, voor de burger uiterst voelbaar beleid getuigt ervan. Bijvoorbeeld het privatiseren van overheidsdiensten, met voorbijgaan aan hun maatschappelijke spilfunctie, NS en PTT voorop. De gevolgen zijn duidelijk: magerder dienstverlening tegen hogere prijzen, zozeer dat zelfs bij een enkel lid van de rechterlijke macht de stoppen doorslaan. Het zichtbaarste voorbeeld is misschien wel het parkeerbeleid, waar opeens geen gebrek aan 'blauw' bleek te bestaan toen er geld te verdienen viel. Wie in het hedendaagse Amsterdam vergeet op tijd de duurbetaalde parkeervergunning op zijn autoruit te verwisselen, heeft de volgende dag voor zijn eigen deur een wielklem, en meer ellende dan de fietsendief die na een paar uur op een bureau weer de straat op gestuurd wordt. Wie zoiets overkomt, voelt zich hoe dan ook genaaid, verkocht en verraden door zijn eigen overheid.

Kom als overheid in zo'n klimaat met een ondoorzichtig plan als de vorming van stadsprovincies, en je kansen zijn slecht. Maak bij dat mistige plan de domme fout te beweren dat een stuk van een stad van bepaalde omvang hetzelfde is als een op zichzelf staande kleinere stad met evenveel inwoners, en men lacht je uit. Dat is immers hetzelfde als denken dat olifantelevers zelfstandig kunnen lopen omdat ze net zo groot zijn als een flink konijn, en dat hadden de stadsbewoners heel goed door. Doe daarna de verpletterende uitslag af als puberaal gedrag van dwarse domoren, en het maatschappelijk draagvlak van politiek en bestuur is weer een flinke stap verkleind, het wantrouwen vergroot.

En terecht, want het laat zien hoe weinig serieus bestuurders en politici de kiezer nemen. Zelfs niet als ze, zoals de moderne populist Rottenberg, lippendienst bewijzen aan de verfrissende werking van het referendum. Immers, diezelfde Rottenberg meende dat de voorkeursactie die bij de Eerste-Kamerverkiezingen Piet Stoffelen zijn zorgvuldig geregisseerde zetel zou gaan kosten, door keiharde pressie op de bij voorkeur gekozene ongedaan gemaakt moest worden. De 'partijdemocratie' moest voorgaan, meende hij, want verstandige mensen, besturen en congressen hadden met veel moeite een goede kandidatenlijst in elkaar gezet, en daar moesten die rare Statenleden nou niet zomaar aan gaan morrelen. Het is de uiterste consequentie van de Kranenburgse visie op de politiek: eerlijk menen dat interne partijregels gaan boven het kiesrecht. Holler gebruik van het woord democratie is zelden vertoond.

Of het nu beroepsblindheid is, gebrek aan begrip van wat democratie betekent, of gebrek aan democratische gezindheid, de huidige ontwikkeling knaagt aan het maatschappelijk draagvlak van politiek en bestuur. En dat gaat om meer dan alleen maar een kloof tussen burger en politiek die met 'uitleggen' gedicht kan worden. Dat tast het wezen van ons bestel aan. Zonder draagvlak is democratie een loos woord. Dan blijft slechts een oligarchie van insiders over. Van een kaste van carrièrebestuurders, waarin politici niet meer van ambtenaren te onderscheiden zijn.

De oplossing ligt niet in hele of halve districtenstelsels zoals die nu worden voorgesteld. Dat leidt, zoals we in de Angelsaksische wereld kunnen zien, precies tot datgene waar Kranenburg zo bang voor is: call your congressman, zodat nimby-achtige kwesties de politieke agenda gaan bepalen. Veeleer is bezinning nodig, vooral in kringen van politici, op wat hun positie en hun taak nu eigenlijk is. Opdat democratie werkelijk een feest kan worden, zoals het hoort.