Ontwikkelingshulp bereikt laagterecord; Bevolking rijke landen blijft hulp aan armsten steunen

ROTTERDAM, 21 JUNI. Tussen 1992 en 1993 is de internationale ontwikkelingshulp met zes procent afgenomen van 61 miljard dollar naar 56 miljard dollar. Die daling staat in scherp contrast met de internationale afspraak om 0,7 procent van het bruto nationaal produkt (bnp) te besteden aan ontwikkelingshulp.

Dit staat in het rapport 'The Reality of Aid 1995', waarin de besteding van ontwikkelingshulp door de lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) jaarlijks wordt onderzocht.

In 1993 hebben 17 van de (toen nog) 24 OESO-landen bezuinigd op ontwikkelingshulp. Het gemiddelde percentage van het BNP dat door de 24 OESO-landen werd besteed aan hulp daalde van 0,33 procent in 1992 naar 0,30 procent in 1993. Dat is het laagste niveau sinds 1973, toen het historische dieptepunt van 0,29 procent werd gemeten. De belangrijkste landen die bezuinigden zijn de Verenigde Staten, Duitsland, Canada, Italië en Japan. De Nederlandse hulp daalde van 0,94 procent in 1989 tot 0,81 procent van het BNP in 1993.

De armste landen worden het zwaarst getroffen door de daling van de hulp. Vooral in Afrika heeft dat grote gevolgen. De verwachting is dat in het jaar 2000 de helft van de bevolking van dat continent onder de armoedegrens van één dollar per dag zal leven, 75 miljoen mensen meer dan nu. Het aantal armsten in de wereld zal nog voor de eeuwwisseling toenemen van 1,3 miljard naar 1,5 miljard mensen. Het rapport stelt dat de OESO-landen de speciale hulpprogramma's voor vrouwen moeten opvoeren, aangezien 70 procent van de allerarmsten vrouwen zijn.

Uit het deze maand verschenen rapport blijkt verder dat de bevolking van de meeste OESO-landen de hulp aan de armste landen steunt. Driekwart van de Denen blijkt bijvoorbeeld voorstander van het regeringsbeleid om één procent bnp te besteden aan ontwikkelingshulp en bijna 60 procent van de Fransen is voor verhoging van het Franse hulpbudget. In Nederland is 84 procent van de bevolking van mening dat de hulp gelijk moet blijven of moet stijgen. De twijfel over de juiste besteding van de hulp nam echter toe. Terwijl in 1986 nog 38 procent van de Nederlandse ondervraagden van mening was dat ontwikkelingsgeld goed besteed werd, was dat in 1994 nog maar 27 procent.

Een steeds groter deel van ontwikkelingshulp dient ook de economische belangen van de donorlanden. Een kwart van de hulp in 1993 was volledig gebonden - de besteding vindt dan verplicht plaats in het donorland. Canada komt openlijk uit voor het eigenbelang binnen de hulp en ook Denemarken en Duitsland laten nationale bedrijven ontwikkelingswerken uitvoeren, blijkt uit het rapport. In Nederland wordt in het kader van de herijking van het buitenlands beleid inmiddels ook een discussie gevoerd over de rol van het nationale belang in de ontwikkelingshulp. Steeds openlijker wordt erkend dat naast humanitaire solidariteit ook economisch gewin een factor is die invloed heeft op toewijzing van hulp aan arme landen.

Ontwikkelingshulp wordt vaak tegengewerkt vanuit bepaalde internationale beleidsterreinen, aldus het rapport. Zo hebben Westerse maatregelen ter bescherming van de eigen handel tot gevolg dat ontwikkelingslanden jaarlijks voor 100 miljard dollar minder kunnen exporteren naar de rijkere landen. Grote boosdoener op dat gebied is het landbouwbeleid van de Europese Unie. Door subsidies ontstaat overproduktie, waardoor de wereldmarktprijs voor produkten als maïs, graan en suiker laag is. Zonder die subsidies zouden arme landen tussen de 5 en 15 procent meer voor hun produkten kunnen krijgen.

De belangrijkste aanbevelingen voor Nederland in het rapport sluiten aan bij de herijking van het buitenlands beleid. De herbezinning moet gebruikt worden om de kwaliteit en samenhang van de Nederlandse hulp te verbeteren, aldus het rapport. Daarbij moet het streven zijn om 50 procent van de hulp te besteden aan directe armoedebestrijding, met name door te investeren in basisonderwijs en gezondheidszorg, aangezien juist dergelijke hulp grote invloed heeft op de economische ontwikkeling van die landen. De opstellers van het rapport wijzen er ook op dat de toezegging van de Nederlandse regering dat het budget voor ontwikkelingshulp in 1998 weer op het niveau van 0,9 procent bnp zal zijn, moet worden waargemaakt.