Ome Gijs

Als ik erg mijn best doe moet ik hem nog kunnen vinden: een foto van mijzelf op slippers in de gemarmerde lobby van een Amerikaans hotel, in gesprek met twee heren in smoking (net terug van een banket), namelijk Dries van Agt, minister-president van Nederland, en Gijs van der Wiel, directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst.

Ome Gijs. Toen ik laatst in Delft was kwam zijn vrouw de groeten van hem doen en dat ontroerde me.

Ik was destijds nog maar net uit de SP, ik werkte voor Nieuwe Revu en ik schreef thrillers. Ik had het verdiend met een drievoudig wantrouwen bejegend te worden, maar Ome Gijs had niets van dat benauwde. Hij bezat de ware aristocratie en kon een zekere ondeugendheid wel waarderen. Zijn behulpzaamheid ging in ieder geval aanzienlijk verder dan de voorlichting waartoe hij uit hoofde van zijn functie was verplicht. Als ik op de hoogte was van de omgangsvormen in de ministerraad, kwam dat doordat Ome Gijs alles had verteld. Als ik de inrichting van het Catshuis kon beschrijven, kwam dat doordat Ome Gijs een middag had uitgetrokken om me rond te leiden.

Ik heb hem altijd gezien als de belichaming van iets fundamenteel Nederlands, een mentaliteit die helpt om dit land bewoonbaar te houden, het gevoel dat we, veel scheefgereden schaatsen ten spijt, toch allemaal bij elkaar horen.