OESO: Japanse economie blijft dit jaar zwak

PARIJS, 21 JUNI. De Japanse economie zal dit jaar zwak blijven, maar in het volgend jaar door het aantrekken van de binnenlandse vraag beter presteren. Dit schrijft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in haar halfjaarlijkse Economic Outlook die gisteren werd gepubliceerd.

De OESO voorziet een groei van 1,3 procent van de Japanse economie in 1995 en van 2,3 procent in 1996. Dit is een benedenwaardse bijstelling van de prognose van december vorig jaar toen de cijfers respectievelijk 2,5 en 3,4 procent bedroegen.

De OESO waarschuwt er echter voor dat de recente sterke stijging van de Japanse yen een, reeds vertraagde, opleving van de economie verder kan afzwakken. “Economische indicatoren, die sinds het gereedkomen van onze prognoses bekend zijn geworden, geven aan dat de economische activiteit in de eerste zes maanden van dit jaar zwak was en wijzen op het risico van een langzamere groei in de tweede helft van dit jaar dan wij hebben voorspeld”, aldus OESO-econoom Kumiharu Shigehara gisteren in Parijs.

Een woordvoerder van de Japanse overheid zei in een reactie dat de OESO verwachtingen er “zwak uitzien in vergelijking met onze eigen prognoses”.

In Parijs wees Shigehara op de mogelijkheid voor de Japanse regering om de rentetarieven, na recente verlagingen, verder te verlagen om groei te stimuleren. “Er is een noodzaak om flexibel gebruik te maken van de beperkte, maar bestaande, ruimte voor renteverlagingen als de marktkrachten de hoge waardering van de yen niet snel keren”, aldus Shigehara.

“De terugval van bedrijfsinvesteringen, een van de belangrijkste factoren in de terugval van de economie, lijkt ten einde te zijn. Bovendien kunnen stabiele of dalende prijzen bijdragen aan de groei van het reële inkomen,” zo schrijft de OESO. Volgens de organisatie zal het einde van de daling van bedrijfsinvesteringen, de toename van de binnenlandse vraag, het herstel van de Japanse economie leiden. Wel wijst de OESO op de mogelijkheid dat huishoudens hun stijgende inkomsten in spaartegoeden omzetten wegens onzekerheid over de toekomstverwachtingen. (Reuter)