Nederlands-Japanse handelsfederatie vindt de Japanse markt vrij; Exporteurs optimistisch over Japan

AMSTERDAM, 21 JUNI. De Nederlandse bedrijven die naar Japan exporteren blijven ondanks de matige groei van de Japanse economie optimistisch over hun afzetmogelijkheden. Bijna 70 procent van de leden van de Nederlands-Japanse Handelsfederatie (Dujat) verwacht dat de eigen afzet in Japan dit jaar zal stijgen, een gelijk percentage als vorig jaar. Naar nu blijkt heeft 72 procent van de destijds geënqueteerde exporteurs in 1994 ook werkelijk een exportstijging gerealiseerd.

Dit blijkt uit een enquête waarvan Dujat het resultaat gisteren in Amsterdam bekend maakte. De leden van Dujat, een particuliere organisatie ter bevordering van de handel met Japan, nemen ongeveer 50 procent van de export naar Japan voor hun rekening.

De Nederlandse export naar Japan blijft een stijgende lijn vertonen. De groei bedroeg het afgelopen jaar 20 procent, een stijging van 2,4 naar 2,9 miljard gulden. Het tekort op de handelsbalans met Japan liep door het licht dalen van de import uit Japan terug van 6,5 naar 6 miljard gulden, de eerste daling sinds 1989. Deze import bedroeg krap 9 miljard gulden en is daarmee drie maal groter dan de Nederlandse export naar Japan. Hiermee doet Nederland het nog altijd slechter dan de meeste EU-landen. De waarde van de export van de EU als geheel naar Japan bedraagt 50 procent van de import uit dat land.

De stijging van de yen ten opzichte van de gulden zal volgens het merendeel van de exporteurs weinig effect hebben op de Nederlandse export. De harde gulden maakt de Nederlandse waar duurder ten opzichte van Zuideuropese en Amerikaanse produkten, zodat een mogelijk positief effect teniet wordt gedaan.

De matige groei van de Japanse economie, 0,8 procent in 1994, ontmoedigt de Nederlandse exporteurs niet.

Volgens Dujat-directeur A.G. Karl en ook Dujat-voorzitter H. de Boon, voorzitter van de hoofddirectie van Cebeco, zou er meer moeten worden gedaan aan het creëren van een coherente Nederlandse strategie voor export-promotie. De Boon heeft kritiek op de veelheid van delegaties van lokale overheden die met hun eigen agenda naar Japan afreizen. De Boon en Karl zien liever eens in de twee jaar een bezoek van de Nederlandse premier naar Japan.

Verwijzend naar het bezoek van premier Kok aan China zegt Karl: “Het hele kabinet is inmiddels in China geweest. Terwijl Kok, als hij eens naar Japan zou gaan, geen geld zou hoeven mee te nemen, maar echt geld kan verdienen. Bovendien valt er in Japan tenminste iets te leren. Een exporteur die daar slaagt heeft iets bewezen.”

De heren van Dujat zijn optimistisch over de mogelijkheden op de Japanse markt en nemen duidelijk afstand van het harde Amerikaanse handelsbeleid ten opzichte van Japan. Karl: “Het gaat erom slimmer te zijn dan de Japanners zelf. Alle problemen die wij in de tien jaar van ons bestaan op de Japanse markt zijn tegengekomen hebben we opgelost.”

Karl geeft als voorbeeld van “slimmer zijn” het in dienst nemen door Nationale Nederlanden van een ambtenaar van het Japanse ministerie van financiën. Dankzij zijn expertise en netwerk binnen de overheid kon hij alle vergunningen voor het bedrijf regelen.

“De Japanse markt is vrij”, aldus Karl. Daarmee neemt hij expliciet afstand van pessimisten die stellen dat Japan bewust slechts enkele bedrijven op haar markt toelaat om buitenlandse kritiek over de gesloten markt te kunnen weerleggen. “Als iemand zegt dat exporteren naar Japan niet mogelijk is moet hij maar naar ons komen.”