Kennis in beweging

WELVAART BEGINT bij technologie. Dat was al zo in de oudheid bij de ontwikkeling van het wiel en bij de verbetering van graansoorten. De geschiedenis heeft een andere wending gekregen door de introductie van de ijzeren ploeg en van stijgbeugels. Tegenwoordig gaan de technologische revoluties met de snelheid van de micro-elektronica en hebben innovaties slechts aan betekenis gewonnen als het gaat om welvaartsgroei. Kennis en kennisontwikkeling zijn van onschatbaar belang.

Nederland loopt daarmee achter terwijl de wereld voortholt. Deze vaststelling is niet nieuw, maar de nota Kennis in beweging, die de ministers Wijers (economische zaken), Ritzen (onderwijs) en Van Aartsen (landbouw) vanmorgen hebben gepresenteerd, zet de relatieve achterstand van Nederland nuchter uiteen en komt met aanbevelingen om daar snel wat aan te doen. Eindelijk geen defensief overheidsbeleid over de verzorgingsstaat, maar een open, toekomstgerichte nota. Kennis in beweging telt zesenvijftig pagina's, de jaarlijkse Sociale Nota van het ministerie van sociale zaken ruim tweehonderd.

Begin jaren tachtig heeft het duo Wagner en Van der Zwan de onttakeling van de Nederlandse industrie getracht te keren. Dat had zeker resultaat, al is een gericht industriebeleid met een 'Japans' of 'Frans' model van speerpunten en marktafscherming nooit van de grond gekomen. In het vorige kabinet heeft minister van economische zaken Andriessen getracht het bankwezen voor een industriefonds te interesseren, maar de belangstelling bleef matig. Geld is niet het probleem in Nederland en in een open handelsnatie werkt protectionisme niet.

KENNIS IN BEWEGING kiest voor een pragmatische aanpak. Nauwere samenwerking tussen technologische onderzoekscentra en het bedrijfsleven, de bevordering van topinstituten, aandacht voor onderzoek ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf, minder regelgeving en vooral belastingfaciliteiten voor speurwerk moeten de positie van de kennis en kunde in de Nederlandse economie versterken. De steeds grotere achterstand die Nederland heeft op het gebied van onderzoek en ontwikkeling beperkt zich niet tot de vergelijking met de naaste industrielanden, maar strekt zich uit naar verre opkomende landen in Azië. Een grafiekje in de nota illustreert dat Zuid-Korea méér en Taiwan evenveel uitgeeft aan onderzoek en ontwikkeling als percentage van de nationale economie als Nederland.

Tegenover de ijzersterke combinatie in die landen van relatief lage loonkosten en een hoog kennisniveau staat Nederland met hoge loonkosten, dalende onderzoeksuitgaven en een economie die zwaar leunt op sectoren met een afnemend aandeel in kennisintensiviteit. Nederland, het is al eerder vastgesteld, is goed in tamelijk laagwaardige produktie en produktieprocessen. Daarmee valt overigens jaar in jaar uit een handelsoverschot te verdienen. Maar zowel in de industrie als in de dienstverlening staan technologische doorbraken voor de deur en daarbij moet Nederland van dit kabinet zich weer opwerken naar de voorste gelederen.

CONCURREREN MET kennis is het devies, aldus de nota Kennis in beweging. Die stelling wordt in beperkte mate door het links-liberale kabinet in daden omgezet. Het kabinet trekt de komende vier jaar in totaal anderhalf miljard gulden uit voor de versterking van het technologiebeleid. Voor zes keer zoveel geld wordt een goederenspoorlijn van Rotterdam naar de Duitse grens aangelegd en voor de 40.000 zogenoemde Melkert-banen in de collectieve sector is evenveel geld beschikbaar. De aanpak van de fysieke infrastructuur vergt kennelijk veel meer geld dan die van de kennisstructuur en de ombuiging van defensieve overdrachtsuitgaven naar een offensief beleid gericht op versterking van de economische fundamenten wordt slechts met kleine stapjes gemaakt. Toch ligt daar de welvaart van de toekomst.