Inspiratie uit opstuivend turfmolm

De eerste keer dat Pina Bausch' Frühlingsopfer in Carré ging was in 1982 - een inmiddels legendarische Strawinsky-avond en prachtig geprogrammeerd: de ruige Bausch-versie van Le sacre du printemps werd voorafgegaan door het sterk gestileerde Oedipus Rex. Op de parterre van Carré zat het Concertgebouworkest en onder leiding van Michael Tilson Thomas ging het in een overkokende Le sacre ver over de schreef van de in de concertzaal gebruikelijke esthetiek. De telkens heftig oplaaiende muziek klonk gewrongen, extreem, stampend, scheurend en primair met die onverbiddelijke ritmiek: een pure 'oer'-belevenis.

Nu dirigeert Edo de Waart het Radio Filharmonisch Orkest en ook deze combinatie leek hoorbaar geïnspireerd door het ritueel in het opstuivende turfmolm vlak achter het orkest - in het volle zicht van De Waart. Het overweldigende effect van destijds werd niet gehaald - daarvoor blijft De Waart een nogal afstandelijke regelaar, die het werk van zijn orkest binnen veilige banen leidt, al bekommert hij zich niet te veel om de klankbalans.

Maar 'normaal' is deze uitvoering zeker niet: slagwerk en koper mogen zich in expressie en dynamiek nogal vrijelijk uitleven en trekken sterk de aandacht. In het contrast met dat spektakel kreeg het aandeel van strijkers en houtblazers in de mystiekere passages deze eerste keer nog wat te weinig innerlijke spanning. Dat tweeslachtige bleek na afloop ook uit de manier waarop De Waart op het podium het applaus in ontvangst nam. De keurige dirigent in rokkostuum stond daar - tussen de smerig geworden dansers - zelf ook op blote voeten in het turfmolm.