EMILE M. CIORAN 1911-1995; Schrijven uit wanhoop

De dundrukeditie van zijn Werken lag in Frankrijk nog maar een paar weken in de winkel, samen met een bundeling van zijn voornaamste interviews. Alsof het leven van Emile M. Cioran al bezegeld was en de balans ervan was opgemaakt, nog voordat hij was overleden, afgelopen dinsdag, vierentachtig jaar oud.

Hij zou de wrangheid daarvan wel hebben weten te koesteren. Pessimisme was zijn terrein; hij hield zich graag op in de kilte van de desillusie. Zijn oeuvre was een vreemde therapie: een aanhoudende vlucht voor de wanhoop en voor de verleiding van de zelfmoord, die hij in datzelfde werk tegelijk indringend opriep. Zelfmoord was hem eigenlijk nog te optimistisch. Het was, schreef hij, de ultieme poging om de dood de baas te worden door hem in eigen hand te nemen.

Maar ook al leefde hij voort, in 1987 had hij aan zijn schrijversleven wel een einde gemaakt. Na de publikatie van zijn laatste aforismenbundel Aveux et anathèmes besloot hij niets meer op papier te zetten. Geschreven wordt er al te veel, verklaarde hij sindsdien. Ook Shakespeare, een van zijn lievelingsauteurs, had te veel geschreven. Zelf had hij met één boek kunnen volstaan. Wat was zijn oeuvre anders dan de voortdurende herformulering van zijn eerste Franse boek Précis de décomposition (Compendium van ontbinding) uit 1949? Elf boeken had hij in het Frans geschreven, en nog eens zes in het het Roemeens, de taal van zijn jeugd. Te veel - vooral de Roemeense, waarvan hij de meeste verloochende, in het bijzonder zijn rechts-nationalistische schotschrift De transformatie van Roemenië, het enige dat niet in het Frans werd vertaald.

Cioran werd in 1911 geboren in het Roemeense Rasinari als zoon van een orthodox priester. Op drieëntwintigjarige leeftijd debuteerde hij met een bundel prozafragmenten: Op de toppen van de wanhoop. Het zijn korte meditaties over melancholie, extase, stof (c'est tout) en zinledigheid, geworteld in de chronische slapeloosheid waaraan hij vrijwel zijn hele leven zou lijden. In de daaropvolgende bundels namen zijn zwart-romantische exaltatie en vernietigingsdrang nog verder toe. Op politiek vlak resoneerde dat dankbaar met de parolen van de IJzeren Garde van de charismatische leider Codreanu. Alles zou groots en mateloos zijn: de gevoelens, het lijden, de loutering en het Vaderland.

Het nationalistisch échec maakte Cioran in Roemenië niet meer mee. In 1937 vertrok hij als beursstudent naar Parijs. Hij is er nooit meer weggegaan. Hij huisde in hotels en later in een kleine mansarde-woning bij de Jardin de Luxembourg. Tot ver in de veertig bleef hij ingeschreven als student; dat gaf hem recht op gratis melk en bonnen voor de mensa's van de universiteit: de koninklijke weg tot bestendiging van een zwaarmoedig wereldbeeld.

Zijn Franse debuut in 1949 werd een triomf. “Eindelijk is gekomen wie wij verwachtten,” schreef Maurice Nadeau in Combat. “Cioran is bij uitstek de bezorger van het slechte nieuws. Hij zal getuigenis afleggen van onze tijd.” Hoeveel maal had Cioran de proza-fragmenten ervan niet stuk voor stuk herschreven en herslepen in de taal van moralisten als La Rochefoucauld en Chamfort, aan wie hij zich spiegelde? Het Frans, waarvan hij de rijkdom leerde van een oude Bask die hij vergezelde op de tochten langs de Parijse bordelen, belichaamde de breuk met zijn Roemeense verleden, dat hij niet meer begreep.

Verdwenen was alle politieke exaltatie; alleen de desillusie restte nog. Maar het besef dat heel het leven om niet werd geleefd was nog even radicaal als ooit zijn begeestering was geweest. Van nuances heeft Cioran nooit iets willen weten. Hij hamerde boek na boek, bijna elke vier jaar één, zijn waarheid in het marmer van de taal die hij had leren perfectioneren: 'Het leven is etherisch en luguber als de zelfmoord van een vlinder'.

Dat bracht hem een kleine kring van lezers, geen publiekssucces. Het tijdsgewricht stond niet naar pessimisme. Pas in 1979, met de publikatie van Ecartèlement (dat dezer dagen als Gevierendeeld in het Nederlands verschijnt), begon zijn werk breder gehoor te vinden. Het tijdperk van de grote verwachtingen was voorbij en scherper dan welk postmodernisme ook bracht Ciorans nada de ontgoocheling daarvan onder woorden.

Veel ervan had hij voorzien en voorspeld: de neergang van de Sovjet-Unie en de explosie van het eeuwige Rusland, het geweld van de jonge volkeren en de machteloosheid van de oude en week geworden democratieën, waarvoor hij altijd een minachting is blijven koesteren. Zijn gelijk kon hem niet verheugen. Zijn publiek beleden blijdschap over de omwenteling in Roemenië zag zich snel geloochenstraft en Cioran verbeet zich van spijt over zijn onbezonnenheid. Zoals hij ook in 1979 al zijn succes gewantrouwd had en Ecartèlement bijna uit de verkoop had teruggetrokken. “Er is geen groter drama dan te vroeg worden begrepen,” schreef hij aan een vriend.

Cioran is niet bruikbaar in enig plan of programma, zoals ook Nietzsche dat niet is: de denker met wie hij veel literaire vormen, maar alleen in zijn jeugd ook inzichten gemeen heeft. En tegelijk is hij overal bruikbaar voor. Dat is nu eenmaal het lot van aforismen en fragmenten, en van een oeuvre dat nadrukkelijk geen systeem wil zijn. Zijn aforismen paren, net als die van Nietzsche, de grofste banaliteit aan de scherpste formulering. Waarom? Om niets. Hij schreef om de wanhoop te pareren. “Wat geformuleerd wordt, wordt dragelijk,” zei hij. Het maakt de wereld niet anders. Waarom zou men haar willen veranderen? Zij wordt er - meende deze grote ledigganger oprecht - alleen maar slechter van.