De fascinerende realiteit van Pina Bausch

Dansvoorstelling: Tanztheater Wuppertal met Café Müller en Das Frühlingsopfer. Choreografie: Pina Bausch; toneelbeeld, kostuums: Rolf Borzik; muziek: Henry Purcell, Igor Stravinsky; begeleiding: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart. Gezien: 20/6 Koninklijk Theater Carré, Amsterdam. Aldaar: t/m 22/6. Inlichtingen: 020-6276566.

Een van de hoogtepunten van het Holland Festival 1981 was Café Müller van Pina Bausch. Het bewegingsstuk werd rechtstreeks op de televisie uitgezonden en maakte een verpletterende indruk. Een jaar later bracht het Tanztheater Wuppertal in het festival een aantal werken van de choreografe, waaronder het adembenemende Das Frühlingsopfer. Deze keer zijn de twee sterk contrasterende stukken samengevat in één programma. Het is een combinatie waarvan je hart overslaat.

Bausch verkoopt geen sprookjes, maar verwijst naar de realiteit. In Café Müller zijn het de indrukken die zij als kind opdeed in het logement van haar ouders, waar zij van onder een tafel de gasten bestudeerde. Het moet een vreugdeloze omgeving zijn geweest, bevolkt door mensen die hunkerden naar genegenheid, maar die hun liefde verpakten in onmacht. Zij leverden de thema's voor haar latere werk, zoals de strijd tussen de seksen, het gebrek aan communicatie en de isolatie van het individu.

Café Müller speelt zich af tussen drie donkergrijze wanden met enkele doorgangen en achterin een draaideur, als enige verbinding met de buitenwereld. Veertien jaar geleden ontbrak dit toneelbeeld, omdat de recentelijk vergrote toneelvloer van Carré toen nog te klein was. De ruimte is gevuld met tafels en lege stoelen. De bezoekers zijn drie mannen en drie vrouwen, waaronder Bausch zelf. Zij brengen op een verstilde, diffuse manier het verleden tot leven, als beelden die uit het onderbewustzijn opduiken. Zij vertellen hun verhaal steeds opnieuw, elke keer vanuit een ander gezichtspunt zoals de een het zich herinnert of de ander.

Er is een man die alle obstakels voor een slaapwandelende vrouw uit te weg ruimt. Hij schuift de stoelen opzij, zodat zij zich niet kan stoten. Je zou een driehoeksverhouding kunnen zien in een paar dat elkaar steeds wanhopiger omhelst, terwijl een andere man hen manipuleert. Liefdesverdriet, onmacht en vertwijfeling, kwellingen die met dans worden bezworen, waarbij de lichamen kronkelend op de grond glijden of tegen de muren klappen.

Terwijl Café Müller doortrokken is van de weemoed van vervagende herinneringen, raast de oerdrift voort in Das Frühlingsopfer. Het is het laatste echte en hechte dansstuk van Bausch. Er zijn twee kampen van mannen of vrouwen, dertig dansers in totaal. Die mengen zich in cirkels of isoleren zich in groepen. Zij vormen rijen, die weer uiteen waaieren op een met turfmolm overdekte vloer. Hier wordt een barbaars vruchtbaarheidsritueel voltrokken waarbij de natuur een slachtoffer eist. In dit geval een maagd die zich dood danst.

De 'uitverkorene' in de Bausch-versie van Igor Strawinsky's Le Sacre du Printemps is geen slachtoffer, maar een meisje dat een bewuste keuze doet. Vluchten kan niet meer als de consequentie tot haar doordringt. De paniek en angst slaan toe in een opzwepende solo, terwijl de omgeving in shocktoestand lijkt te verkeren. Het is een uitputtingsslag met alleen overwinnaars, want de overgave waarmee Das Frühlingsopfer wordt gebracht verdient de staande ovatie waarmee het publiek het Tanztheater Wuppertal dankte.